Therapie als ontmoeting
Wat gebeurt er wanneer een therapeut zichzelf werkelijk beschikbaar stelt voor een ontmoeting?
Ik las Het uur van het hart van Irvin Yalom. Het is een bijzonder boek om te lezen, juist omdat Yalom in zijn laatste levensfase zo open schrijft over zijn werk en over zichzelf. Zijn geheugen laat hem steeds vaker in de steek. Hij weet niet meer alles wat hij vroeger wist en kan niet meer op dezelfde manier als therapeut werken als voorheen. Toch — of misschien juist daardoor — wordt in deze therapiesessies iets heel wezenlijks zichtbaar van wat een ontmoeting tussen twee mensen kan zijn.
Yalom kiest ervoor om geen therapietrajecten meer aan te bieden. Hij kiest ervoor om nog maar één sessie te hebben met de mensen die naar hem uitreiken voor therapie. Dat maakt de vraag, wat er in zo’n korte tijd mogelijk is, interessant. Hij zoekt niet naar een snelle oplossing of naar een compacte versie van een behandeltraject. Hij richt zich op de ontmoeting zelf. Op wat er gebeurt wanneer je werkelijk aanwezig bent bij een ander mens.
Wat mij daarin raakt, is de manier waarop hij zichzelf niet buiten die ontmoeting plaatst. Hij laat zichzelf zien, misschien wel meer dan ooit. Hij vertelt over zijn eigen leven, over zijn ouder worden, over verlies, over angst en schaamte. Hij beantwoordt vragen van cliënten eerlijk, ook wanneer die vragen persoonlijk of intiem zijn. Sterker nog: hij nodigt hen juist uit om hem zulke vragen te stellen. Hoe persoonlijker, hoe beter.
Dat is iets anders dan af en toe iets persoonlijks delen wanneer dat therapeutisch handig lijkt. Bij Yalom is zijn eigen menselijkheid geen techniek die hij soms inzet. Hij is er. Ook zijn kwetsbaarheid is niet iets wat eerst moet worden weggefilterd voordat hij professioneel kan zijn.
Dat vind ik wezenlijk. Een therapeut brengt zichzelf mee in de ontmoeting. Niet alleen zijn opleiding, zijn kennis en zijn ervaring, maar ook zijn menselijkheid. Je verdriet verdwijnt niet omdat je therapeut bent. Je schaamte niet. Je onzekerheid niet. Je geraakt worden evenmin. En ook wanneer je veel ervaring hebt, weet je niet altijd wat er zal gebeuren wanneer twee mensen elkaar werkelijk ontmoeten.
Misschien wordt dat in dit boek juist extra zichtbaar doordat Yalom zelf steeds meer moet leven met het niet-weten. Zijn geheugen kan hem niet langer de zekerheid geven die het vroeger gaf. Hij vergeet namen, gebeurtenissen en details. Er ontstaat een onbekendheid die hij niet kan oplossen door nog meer kennis of ervaring. En toch blijft hij nieuwsgierig.
Dat vind ik misschien wel een van de mooiste kwaliteiten die in het boek naar voren komen. Niet dat hij ondanks zijn kwetsbaarheid toch stevig genoeg blijft om zijn werk te doen, maar dat hij zich juist vanuit die kwetsbaarheid blijft openen voor de ander.
Dat vraagt draagkracht. Draagkracht om geraakt te worden zonder jezelf kwijt te raken, om niet meteen te hoeven begrijpen wat er gebeurt, om onzekerheid te kunnen verdragen, om iets niet te weten en om een fout te kunnen maken zonder de schrik daarover weg te hoeven drukken. Ook vraagt het dat je jezelf daarna opnieuw beschikbaar kunt stellen voor het contact.
Yalom schrijft ook over momenten waarop hij iets anders doet dan hij achteraf had gewild. Hij laat de ongemakkelijkheid daarvan staan. Hij schrijft niet alleen over de geslaagde ontmoeting, maar ook over zijn eigen menselijke feilbaarheid. Dat maakt het werk niet minder professioneel. Voor mij maakt het juist zichtbaar hoeveel professionaliteit ervoor nodig is om jezelf daarin niet te hoeven beschermen.
Want jezelf beschikbaar stellen betekent niet dat alles wat je voelt of denkt automatisch onderdeel moet worden van de therapie. Het betekent ook niet dat de cliënt verantwoordelijk wordt voor jouw binnenwereld. Het betekent dat je jezelf niet hoeft te verbergen om professioneel te kunnen werken. Je kunt iets voelen en het niet onmiddellijk gebruiken, geraakt worden en erbij blijven, niet weten wat er aan de hand is en nieuwsgierig blijven. Je kunt iets zeggen wat anders landt dan je bedoelde en vervolgens niet weggaan van wat dat in het contact teweegbrengt.
Daarvoor is niet alleen kennis nodig, maar een diep ontwikkeld gevoel voor menselijke dynamiek. Je moet kunnen waarnemen wat er tussen jullie gebeurt, terwijl je tegelijkertijd aanwezig blijft bij wat er in jezelf gebeurt. Niet als een therapeut die zichzelf voortdurend analyseert, maar als iemand die werkelijk deelneemt aan de ontmoeting.
Want dat is voor mij het verschil tussen kijken naar een cliënt en iemand ontmoeten. Wanneer iemand tegenover je zit, gebeurt er niet alleen iets bij die persoon. Er gebeurt ook iets in jou. Je lichaam reageert. Je voelt beweging, spanning, afstand, nabijheid, weerstand, warmte, verwarring. Soms weet je nog niet wat het betekent. Dat hoeft ook niet. Het kan genoeg zijn om het op te merken en er niet meteen een conclusie van te maken.
Juist daar wordt therapie levend.
Wat zich in een cliënt afspeelt, laat zich immers niet altijd rechtstreeks vertellen. Mensen hebben vaak al heel veel over zichzelf nagedacht. Ze kunnen hun patronen benoemen, begrijpen waar ze vandaan komen en kunnen precies vertellen wat ze anders zouden willen. En toch verandert er niets.
Omdat begrijpen niet hetzelfde is als ervaren in relatie tot jezelf en de ander.
Veel van wat ons vormt, leeft ook in ons (als geheel, dus lichaam en denken). In de manier waarop we contact maken. In hoe dichtbij iemand mag komen. In hoe we reageren wanneer een ander teleurgesteld is, boos wordt, afstand neemt of juist heel dichtbij komt. In het moment waarop we ons aanpassen, ons afsluiten, ons groot houden of verdwijnen.
Dat wordt zichtbaar en voelbaar in een ontmoeting.
En wanneer de therapeut zelf werkelijk aanwezig is, kan zo’n patroon niet alleen besproken worden, maar zich in het hier en nu ontvouwen. Dan kan er iets nieuws worden ervaren. Niet omdat de therapeut vertelt wat de cliënt anders moet doen, maar omdat de ontmoeting zelf een andere ervaring mogelijk maakt.
Misschien kan iemand voor het eerst een grens voelen én ervaren dat het contact blijft bestaan na het aangeven van die grens. Misschien kan iemand boos zijn zonder dat de ander weggaat. Misschien kan iemand verdrietig worden zonder dat de ander het probeert weg te maken. Misschien kan iemand iets heel kwetsbaars vertellen en merken dat de ander niet terugdeinst of generaliseert.
Dat zijn geen kleine dingen. Het zijn ervaringen die iets kunnen veranderen in hoe iemand zichzelf en de wereld om zich heen ervaart.
Daarom gaat therapie voor mij ook verder dan de therapeutische relatie als concept. Het gaat niet alleen om “een empathische relatie hebben” met je cliënt. Het gaat om wat er werkelijk gebeurt wanneer twee mensen elkaar ontmoeten en beiden aanwezig zijn in wat zich aandient.
Dat vraagt van de therapeut dat hij zichzelf niet buiten het proces plaatst. Niet als degene die alles weet, niet als degene die de ander observeert en ook niet als iemand die zijn eigen binnenwereld bij de cliënt neerlegt. Je bent er als mens en draagt therapeutisch zorg voor het proces van de client, terwijl je er ook onderdeel van bent. Een mens die voelt, reageert, geraakt wordt, soms niet weet, soms iets verkeerd doet en ondertussen de verantwoordelijkheid voor de ontmoeting blijft dragen.
Dat vind ik zo mooi aan wat Yalom in dit boek laat zien. Zijn kwetsbaarheid maakt hem niet minder deskundig. Zijn onzekerheid maakt zijn ervaring niet minder waardevol. Zijn fouten maken zijn werk niet minder zorgvuldig.
Het tegenovergestelde is eerder waar.
Er ontstaat ruimte voor iets wat in therapie gemakkelijk verloren kan gaan wanneer professionaliteit vooral wordt opgevat als afstand, beheersing en weten. Werkelijke professionaliteit kan ook betekenen dat je juist dichtbij durft te komen, dat je jezelf niet hoeft te beschermen tegen de mens die tegenover je zit, dat je voldoende draagkracht hebt om niet te hoeven weten wat je nog niet weet en dat je bereid bent om je steeds opnieuw te laten verrassen door wat er tussen mensen kan ontstaan.
Misschien is dat uiteindelijk wat mij in Het uur van het hart zo aanspreekt. Niet dat Yalom een nieuwe manier van therapie beschrijft, maar dat hij aan het einde van zijn leven zo helder laat zien wat er overblijft wanneer veel vanzelfsprekendheden wegvallen.
Een therapeut en een cliënt. Twee mensen. Een uur. En de mogelijkheid om elkaar werkelijk te ontmoeten.
Voor mij is dat de kern van kundig therapeutisch werk. Niet iemand behandelen, niet iemand repareren en ook niet iemand leren hoe hij een beter mens kan worden. Wel de oprechte bereidheid samen te onderzoeken wat er in iemand leeft, hoe dat zich in contact laat zien (of juist opvallend niet laat zien) en voelen, waar het leven is vastgelopen en waar opnieuw beweging kan ontstaan.
Soms begint die beweging met begrijpen, maar vaak begint ze ergens anders: bij ervaren dat je niet alleen bent, bij ervaren dat iemand werkelijk bij je blijft, bij ervaren dat je jezelf niet hoeft te verliezen om in contact te kunnen zijn en misschien ook bij het ervaren dat degene tegenover je niet boven jou staat, maar werkelijk en gelijkwaardig aanwezig is.
Mens tegenover mens.
Daar kan therapie beginnen. En daar kan iets in beweging komen.





Opmerkingen