top of page
Michelle van der Zee Biodynamische Psychologie

Updates

Onmogelijkheid

11 okt
8 minuten om te lezen

De menselijke maat van het onmogelijke


Over potentie, verlangen en de werkelijkheid die zich niet laat dwingen


Er zijn dingen waarvan we lang kunnen denken dat ze mogelijk zijn. We zien wat erin verscholen ligt: de schoonheid, de beweging die zou kunnen ontstaan, de mens die iemand zou kunnen zijn, de verhouding die zich zou kunnen verdiepen, het leven dat zich zou kunnen ontvouwen wanneer bepaalde omstandigheden veranderen. Soms is die mogelijkheid zo helder dat we haar ervaren als iets wat al bijna werkelijkheid is.


Het vermogen om meer te zien dan wat er op dit moment is, behoort tot de meest menselijke eigenschappen die we hebben. We kunnen ons een werkelijkheid voorstellen die nog niet bestaat, verlangen naar iets wat nog geen vorm heeft en in een ander iets herkennen wat diegene zelf nog nauwelijks kan bewonen. We verbinden ons niet alleen met wat er is, maar ook met wat zich daarin zou kunnen ontwikkelen. Dat vermogen ligt aan de basis van liefde, verbeeldingskracht, kunst, opvoeding en veel van wat we proberen tot stand te brengen.


Tegelijkertijd schuilt hierin een kwetsbaarheid. Wie de potentie van iets ziet, kan langer betrokken blijven bij wat mogelijk lijkt dan bij wat daadwerkelijk gebeurt. We zien een beweging die even zichtbaar wordt en hopen dat zij zich voortzet. Een ontmoeting brengt iets wezenlijks aan het licht, waardoor we verwachten dat dit ook verder vorm kan krijgen. We kennen de wil, de gevoeligheid en de goede intenties die aanwezig zijn, begrijpen waarom iets moeilijk is en houden rekening met alles wat eraan voorafging. Ondertussen kan de werkelijkheid ons iets anders laten ervaren dan waarop we hopen.


Dat betekent niet dat we verkeerd hebben gekeken of onszelf noodzakelijk iets hebben wijsgemaakt. Het vermogen om iets te herkennen is alleen niet hetzelfde als het vermogen om het te realiseren.


Potentie is geen belofte.


Dat geldt voor mensen, voor relaties, voor onszelf en voor het leven dat we proberen vorm te geven.


De ruimte tussen willen en kunnen

We kennen de gedachte dat wat werkelijk belangrijk voor ons is, uiteindelijk ook tot handelen zal leiden. Misschien niet meteen en niet zonder moeite, maar het verlangen zal zich vroeg of laat vertalen in beweging. Die gedachte is begrijpelijk. We leven in een cultuur die sterk gericht is op handelingsvermogen: we onderzoeken wat iemand motiveert, welke vaardigheden ontbreken, welke belemmeringen kunnen worden weggenomen en wat nodig is om een gewenste uitkomst dichterbij te brengen.


Vaak werkt dat ook. Mensen ontwikkelen zich, patronen veranderen en wat aanvankelijk buiten bereik leek, wordt door oefening, steun, tijd en ervaring mogelijk. Toch verloopt de verhouding tussen willen en kunnen niet altijd zo rechtstreeks.


Een mens kan iets werkelijk willen en er desondanks niet toe in staat zijn. Niet omdat het verlangen onecht is, maar omdat het vermogen om dat verlangen in de werkelijkheid te dragen niet in dezelfde mate beschikbaar is. Iemand kan naar nabijheid verlangen en tegelijk moeite hebben met de kwetsbaarheid die zij met zich meebrengt. We kunnen verandering nastreven en terugvallen in een vertrouwde beweging zodra die verandering daadwerkelijk iets van ons vraagt. Ook wanneer we weten wat belangrijk voor ons is en daar oprecht voor kiezen, beschikken we niet vanzelf over de psychische, lichamelijke, relationele of praktische mogelijkheden om ernaar te handelen.


Tussen willen en doen ligt een complex samenspel van processen. Onze aandacht, emoties, lichamelijke activatie, aangeleerde verwachtingen, uitvoerende functies en beschikbare energie beïnvloeden elkaar voortdurend. Ook onze inschatting van veiligheid en de mogelijkheden die onze omgeving biedt, spelen mee. Deze processen zijn niet altijd bewust toegankelijk, werken niet noodzakelijk in dezelfde richting en laten zich niet allemaal op hetzelfde moment veranderen.


Daardoor kan het gebeuren dat we oprecht verlangen naar iets wat we nog niet kunnen dragen. Soms ontwikkelt dat vermogen zich met de tijd, door nieuwe ervaringen of met de juiste ondersteuning. In andere gevallen blijft de ruimte tussen verlangen en werkelijkheid bestaan, ondanks alles wat we eraan proberen te doen.


Juist dat laatste is moeilijk te verdragen. Zolang er iets te begrijpen, te oefenen, te herstellen of te ontwikkelen valt, blijft er een handelingsperspectief. We kunnen onze aandacht richten, geduld oefenen, hulp zoeken of een andere benadering proberen. Maar wanneer we niet alleen op een moeilijkheid stuiten, maar op een grens, verandert de aard van de vraag. Dan gaat het niet uitsluitend meer om wat nodig is om iets mogelijk te maken, maar ook om de mogelijkheid dat het niet tot stand komt op de manier waarop we het voor ogen hebben.


De onmogelijkheid voelen

Weten dat iets niet lukt, is iets anders dan ervaren wat dat werkelijk betekent. Een verstandelijke conclusie kan lange tijd samengaan met hoop en de verwachting dat er alsnog een opening ontstaat. We begrijpen dat de omstandigheden moeilijk zijn, maar blijven zoeken naar ruimte. We zien dat iets zich niet ontwikkelt en herinneren ons tegelijkertijd de momenten waarop het wel mogelijk leek.


Ons gevoelsleven beweegt niet noodzakelijk mee met wat we verstandelijk al hebben begrepen. We veranderen onze verhouding tot de werkelijkheid niet uitsluitend door inzicht. Betekenis krijgt ook gestalte in ervaring, in wat zich herhaalt, in wat er met ons gebeurt en in wat uitblijft. Een grens kan daarom iets zijn wat we al geruime tijd kennen, maar pas later werkelijk onder ogen zien.


Dat wordt voelbaar wanneer de inspanning zich opstapelt. De vermoeidheid neemt toe, hoop gaat steeds meer gepaard met spanning en het verschil tussen wat we voor ogen hadden en wat er daadwerkelijk beschikbaar is, laat zich niet langer op afstand houden. Soms ervaren we dat als onrust, zwaarte, terugtrekking of een moeilijk te benoemen verlies. Onze verwachtingen, inspanningen en ervaringen worden immers ook lichamelijk beleefd, zonder dat lichamelijke sensaties op zichzelf een onfeilbare uitspraak doen over wat er mogelijk is.


Wanneer onze inzet niet voldoende blijkt, gaat er iets verloren. Dat hoeft niet het verlangen zelf te zijn, en evenmin de liefde of waardering voor wat mogelijk leek. Wat kan wegvallen, is de vanzelfsprekendheid waarmee we ervan uitgingen dat die mogelijkheid ooit werkelijkheid zou worden.


Dat verlies verdient een eigen plaats. We hoeven het niet onmiddellijk om te zetten in een les, een nieuwe richting of een beter begrip van onszelf. Ook hoeft er niet meteen iets voor in de plaats te komen. Soms bestaat het verdriet eenvoudigweg uit het ervaren van de afstand tussen wat we hebben gezien en wat we daadwerkelijk kunnen leven. Die afstand kan groot zijn, ook wanneer niemand iets verkeerd heeft gedaan.


Waar onze invloed ophoudt

We koesteren vaak de gedachte dat voldoende bewustzijn uiteindelijk tot voldoende vermogen leidt. Wanneer we onze patronen begrijpen en bereid zijn ons eigen aandeel te onderzoeken, zouden we steeds meer invloed moeten krijgen op wat er in ons leven gebeurt. Bewustzijn kan inderdaad ruimte scheppen. Het helpt ons onderscheid te maken, nieuwe ervaringen toe te laten en anders te handelen dan we gewend zijn. Maar inzicht heft onze afhankelijkheid van anderen en van de omstandigheden niet op.


Een deel van ons leven speelt zich af buiten onze beslissende invloed. We zijn afhankelijk van de mogelijkheden en beperkingen van andere mensen, van omstandigheden die we niet kunnen sturen en van lichamen die niet altijd doen wat we ervan verlangen. Een verhouding bestaat bovendien niet uit de potentie van één mens. Zij ontstaat in wat tussen mensen daadwerkelijk mogelijk wordt.


Je kunt de gevoeligheid van een ander zien zonder dat die gevoeligheid beschikbaar komt in het contact met jou. Je kunt herkennen dat iemand naar verbinding verlangt, terwijl de wederkerigheid die daarvoor nodig is buiten diens vermogen blijft. Je kunt begrijpen waarom iemand zich terugtrekt en tegelijkertijd ervaren hoe alleen je je in de relatie voelt.


Begrip kan de werkelijkheid verzachten en haar menselijker maken. Het helpt ons om voorbij een zwart-witte beoordeling te kijken en te zien wat er onder gedrag ligt. Maar begrip kan niet in de plaats treden van wat er ontbreekt.


Hier ligt een moeilijke opgave van het volwassen leven: de menselijkheid van een situatie blijven zien zonder je eigen leven te blijven organiseren rond de verwachting dat zij verandert. Dat vraagt niet om hardheid, maar om een nauwkeuriger verhouding tot wat er werkelijk beschikbaar is. We kunnen erkennen wat iemand in zich draagt én wat diegene daadwerkelijk kan bieden. We kunnen zien wat een relatie voor ons heeft betekend én onder ogen zien wat zij niet kan geven. Een betekenisvolle ervaring hoeft geen garantie voor de toekomst te worden om waardevol te blijven.


De werkelijkheid hoeft niet kleiner te worden gemaakt om haar grenzen serieus te nemen.


De rouw om wat niet geleefd kan worden

Rouw wordt vaak verbonden aan wat er is geweest en verloren is gegaan. Er bestaat echter ook verdriet om wat nooit werkelijk gestalte heeft gekregen: een leven dat denkbaar was, een vorm van samenzijn die soms dichtbij leek, een vermogen in onszelf dat we niet tot ontwikkeling konden brengen. Of iets waarvan we lang hebben gedacht dat het met voldoende tijd, inzicht of betere omstandigheden alsnog mogelijk zou worden.


Dit verdriet is niet altijd gemakkelijk te delen. Er hoeft geen duidelijk einde te zijn, geen gebeurtenis die alles verklaart en geen schuldige die kan worden aangewezen. Soms is er vooral het besef dat de werkelijkheid een andere vorm heeft aangenomen dan waarop we ons innerlijk hadden voorbereid.


We proberen dat verdriet geregeld te beantwoorden met nieuwe beweging. We beginnen opnieuw, spreken onszelf moed in, onderzoeken de mogelijkheden of proberen de omstandigheden nog een keer te veranderen. Soms is dat precies wat nodig is. Op andere momenten houdt die beweging ons ook verwijderd van wat zich laat voelen: de onmacht om datgene tot stand te brengen wat ons werkelijk ter harte gaat.


Onmacht is niet hetzelfde als onverschilligheid. Ze kan juist ontstaan waar iets ons zeer na aan het hart ligt. En ze vraagt niet altijd om een oplossing. Soms is erkenning nodig, gezelschap of tijd waarin niet meteen iets van ons hoeft te worden gemaakt.


Daar kan een andere verhouding tot het leven ontstaan. We blijven mogelijkheden zien, maar verwarren ze niet langer met toezeggingen. Ons verlangen hoeft niet te verdwijnen, maar hoeft evenmin te bewijzen dat iets haalbaar is. We kunnen betrokken blijven bij het leven zonder onszelf voortdurend te verplichten om te realiseren wat we voor ogen hebben.


Een andere vrijheid

Vrijheid wordt vaak ervaren als het vermogen om iets voor elkaar te krijgen. We ontwikkelen vaardigheden, maken keuzes en proberen onze omgeving in overeenstemming te brengen met wat we belangrijk vinden. Maar er bestaat ook een vrijheid die ontstaat wanneer we niet langer hoeven te ontkennen wat buiten ons vermogen ligt.


Dat is geen berusting in de zin van ons neerleggen bij alles wat zich aandient. Het betekent niet dat we moeilijke omstandigheden niet meer proberen te veranderen of onze verantwoordelijkheid loslaten. Het vraagt juist om onderscheidingsvermogen. Waar is beweging mogelijk? Waar is tijd of ondersteuning nodig? Waar houden angst en vertrouwdheid ons tegen? En waar proberen we een werkelijkheid te realiseren die niet alleen van ons afhangt, of die ondanks alles niet beschikbaar komt?


Op die vragen bestaat geen universeel antwoord. Soms blijkt iets onmogelijk omdat we nog niet weten hoe we het moeten aanpakken. Soms laten de omstandigheden het niet toe, is een vermogen nog onvoldoende ontwikkeld of ontbreekt de noodzakelijke wederkerigheid. En soms komt de verlangde werkelijkheid, hoe invoelbaar en waardevol ook, eenvoudigweg niet tot stand. Die mogelijkheden vragen om verschillende antwoorden. Ze allemaal beantwoorden met méér inspanning is evenmin zorgvuldig als ieder verlangen bij voorbaat opgeven.


Een andere vorm van volwassenheid ontstaat wanneer we niet alleen leven vanuit wat we kunnen bedenken en willen, maar ook vanuit wat we daadwerkelijk kunnen dragen, ontvangen en vormgeven. Potentie behoudt haar waarde zonder de maatstaf te worden waaraan de werkelijkheid voortdurend moet voldoen. We kunnen blijven onderzoeken wat mogelijk is en tegelijk ruimte maken voor wat niet mogelijk blijkt.


Zo kan onze verhouding tot het leven veranderen. Niet doordat het verlangen verdwijnt, maar doordat het niet langer alles hoeft te bepalen. Niet doordat we minder betrokken raken, maar doordat we onderscheid leren maken tussen wat we kunnen beïnvloeden en wat niet in onze handen ligt.


Het gaat uiteindelijk niet alleen om het leven dat we hadden kunnen hebben, of om het leven dat iemand anders had kunnen leiden. Het gaat ook om dit leven, met zijn werkelijke mogelijkheden en grenzen, en om de vraag hoe we daarin aanwezig willen zijn.


Dat vraagt geen kleiner hart, maar een andere manier van bewonen. We kunnen ruimte laten voor wat had kunnen zijn zonder ons leven daaraan te blijven uitbesteden. We kunnen erkennen wat ons is ontgaan zonder daarmee alles te verliezen wat er wél is.


Het onmogelijke is dan niet langer uitsluitend datgene wat ons tegenhoudt. Het confronteert ons ook met de grenzen van onze invloed en nodigt ons uit de werkelijkheid nauwkeuriger te ontmoeten.


Niet om haar mooi te praten, en evenmin om haar voortijdig af te schrijven.


Maar om er weer werkelijk in aanwezig te kunnen zijn.



Opmerkingen


bottom of page