top of page
Michelle van der Zee Biodynamische Psychologie

Updates

Waardigheid

5 sep
11 minuten om te lezen

Is dit een omgeving waarin mijn wezen tot bloei komt?

Er zijn momenten waarop je beseft dat je al lange tijd alleen bent met iets wat voor jou wezenlijk is. Niet omdat er niemand om je heen is, en ook niet omdat je niet geliefd bent, maar omdat wat jou bezighoudt, ontroert of nieuwsgierig maakt nauwelijks ergens terugkomt. Je leest een boek dat iets in je opent en zou er het liefst meteen over praten. Je hoort muziek die je raakt en verlangt ernaar iemand te vinden die er ook door geraakt wordt. Je ontdekt een idee waar je dagenlang over nadenkt, of loopt een museum binnen en merkt dat je er levendiger vandaan komt dan je naar binnen ging. En wanneer je vervolgens probeert te delen wat je hebt gevonden, blijft het gesprek vaak aan de oppervlakte.


Dat hoeft helemaal niet te betekenen dat de ander niet geïnteresseerd is in jou. Er kan juist veel liefde, betrokkenheid en gedeelde geschiedenis zijn. Maar liefde en resonantie zijn niet hetzelfde. Iemand kan van je houden en toch niet werkelijk kunnen ontmoeten wat jou op een bepaalde laag beweegt. Dat verschil is moeilijk te herkennen, juist omdat er geen duidelijke afwijzing hoeft te zijn. Er is geen ruzie, niemand zegt dat jouw interesses onbelangrijk zijn en niemand hoeft je bewust klein te maken. Er is vooral een steeds terugkerende ervaring dat iets wat voor jou betekenis heeft, nergens werkelijk landt.


Wanneer dat lang duurt, kan de verklaring voor het ontbreken van die aansluiting langzaam naar binnen verschuiven. Niet noodzakelijk doordat je minder van jezelf gaat verwachten; je kunt juist heel trouw blijven aan je verlangens, je nieuwsgierigheid en je ontwikkeling. Maar je kunt je wel gaan afvragen waarom het zo moeilijk is om werkelijk begrepen te worden. Waarom wat voor jou vanzelfsprekend betekenisvol is voor anderen zo weinig lijkt te betekenen. Waarom je met sommige dingen steeds alleen komt te staan.


En wanneer je daar lange tijd geen ander antwoord op vindt, kan een kinderlijke logica zich vastzetten: als iets steeds niet lukt in de relatie met de mensen van wie je afhankelijk bent, zal het wel aan mij liggen. Niet omdat iemand dat noodzakelijkerwijs letterlijk heeft gezegd, maar omdat een kind weinig mogelijkheden heeft om te denken: de mensen om mij heen hebben op dit punt niet het vermogen om mij te zien. Het is veel waarschijnlijker dat het denkt: ik ben moeilijk, ik ben blijkbaar niet de moeite waard, er is iets aan mij waardoor dit niet lukt.


Voor een kind een creatieve manier van overleven, als volwassene is dat een pijnlijke vergissing, maar geen onbegrijpelijke. Zeker niet wanneer er tegelijkertijd liefde is. Wanneer je houdt van de mensen die je niet kunnen spiegelen, wil je hen niet tekortdoen en wil je ook niet erkennen dat iets wat je zo hard nodig hebt daar misschien eenvoudigweg niet beschikbaar is. Dan kan het gemakkelijker zijn om de tekortkoming bij jezelf te zoeken dan om de begrenzing van je omgeving onder ogen te zien en het voelen toe te staan.


Wat we van een spiegel leren

We leren onszelf niet uitsluitend van binnenuit kennen. Een mens ontwikkelt zich in relatie tot anderen en krijgt in die relaties voortdurend informatie terug over wat er in henzelf leeft. Een kind dat vol verwondering naar de wereld kijkt, heeft mensen nodig die die verwondering kunnen herkennen. Een kind dat een ingewikkelde vraag stelt, heeft iemand nodig die niet alleen het antwoord geeft, maar ook geïnteresseerd is in de gedachte achter de vraag. Een kind dat iets maakt, ontdekt of bedenkt, heeft een omgeving nodig waarin daar verder op wordt ingegaan. Op die manier leert een mens niet alleen wat hij kan, maar ook dat wat in hem leeft betekenis heeft.


Die behoefte aan spiegeling verdwijnt niet wanneer we volwassen worden. We hebben nog steeds mensen nodig bij wie een gedachte verder mag groeien, bij wie een enthousiasme niet onmiddellijk hoeft te worden gerelativeerd en bij wie een vraag niet zo snel mogelijk hoeft te worden opgelost. Er zijn gesprekken waarna je naar huis gaat met het gevoel dat je meer bent gaan denken, voelen of zien. Niet omdat iemand je heeft verteld dat je bijzonder bent, maar omdat er werkelijk ontmoeting heeft plaatsgevonden.


Daartegenover staan de relaties waarin bepaalde aspecten van jezelf nauwelijks ruimte krijgen. Niet noodzakelijk omdat je ze bewust verborgen houdt, maar omdat je in de loop van de tijd hebt geleerd dat ze weinig respons oproepen. Je vertelt iets minder vaak. Je houdt een gedachte wat langer voor jezelf. Je merkt dat je enthousiasme niet helemaal aankomt en besluit het een volgende keer misschien niet meer te delen. Zo kan een deel van je innerlijke wereld langzaam minder zichtbaar worden, zonder dat het ooit werkelijk verdwijnt.


Ik heb lange tijd vooral geleerd om naar mezelf te kijken wanneer iets niet goed voelde. Wat is mijn aandeel? Wat kan ik anders doen? Wat heb ik nog te begrijpen? Hoe leg ik het nog beter uit? Hoe kan ik nog beter met de ander verbinden? Dat vermogen tot zelfonderzoek heeft me veel gebracht en ik zou het niet willen verliezen. Het helpt om verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen leven en voorkomt dat we alles wat moeilijk is buiten onszelf plaatsen.


Maar zelfonderzoek heeft ook een grens. Er zijn omstandigheden waarin de meest eerlijke conclusie niet is dat je nog beter naar jezelf moet kijken, maar dat de omgeving waarin je je bevindt niet kan geven wat je op een bepaald niveau nodig hebt.


Dat hoeft geen oordeel over die omgeving te zijn. Soms is er liefde, maar weinig nieuwsgierigheid. Soms is er loyaliteit, maar weinig ruimte voor verandering. Soms is er praktische steun, maar nauwelijks belangstelling voor de ideeën, schoonheid, cultuur of vragen die voor jou van betekenis zijn. Soms hebben mensen zelf nooit geleerd om op die manier aanwezig te zijn. Hun beperking maakt hun liefde niet onwaar, maar liefde alleen kan niet iedere menselijke behoefte vervullen.

Misschien is dat een van de moeilijkste vormen van volwassen worden: leren erkennen dat mensen van wie je houdt niet noodzakelijk de mensen zijn bij wie iedere laag van jou tot bloei kan komen.


De omgeving waarin een leven zich ontvouwt

We spreken veel over persoonlijke ontwikkeling en over alles wat we zelf kunnen doen om ons leven te veranderen. We leren onze patronen herkennen, onze grenzen bewaken, ons zenuwstelsel reguleren, oude overtuigingen onderzoeken en verantwoordelijkheid nemen voor onze keuzes. Dat alles is waardevol. Maar soms ontstaat er in die taal een bijna onzichtbare veronderstelling dat de oplossing altijd binnenin ons moet worden gevonden.


Alsof we onszelf zo goed zouden moeten leren begrijpen dat we uiteindelijk in iedere omgeving kunnen functioneren en dat jezelf ten volste belichamen een ideaal is.


Ik geloof steeds meer dat ook onze omgeving deel uitmaakt van ons ontwikkelingsproces, niet alleen waar je geboren bent en wie je ouders en vrienden waren toen je opgroeide. Juist ook nu. De mensen met wie we onze dagen ook hier en nu delen, de gesprekken die aan tafel ontstaan, de boeken die we lezen, de muziek waarnaar we luisteren, de kunst die we zien, de plekken waar we komen en de ideeën waaraan we ons blootstellen, zijn geen decor rondom ons leven. Ze vormen de atmosfeer waarin ons leven zich ontvouwt.


Een plant die niet bloeit, is niet per definitie een slechte plant. Soms staat ze op een plek waar te weinig licht komt. Soms is de grond uitgeput of past de omgeving eenvoudigweg niet bij wat ze nodig heeft. Dan kan nog meer inspanning van de plant zelf weinig veranderen. Er is niet alleen behoefte aan groei, maar aan andere omstandigheden.


Dat beeld helpt mij om anders te kijken naar de manier waarop wij onszelf ontwikkelen en ik mezelf. Niet alles hoeft opgelost te worden door nog harder aan onszelf te werken. Soms vraagt groei om een verandering van omstandigheden, om andere mensen om ons heen, om nieuwe ideeën, andere plekken en een ruimer leven.


Dat betekent niet dat we iedere omgeving moeten verlaten zodra iets moeilijk wordt. Het leven vraagt ook om draagkracht, verantwoordelijkheid en het vermogen om verschil te verdragen. Geen enkele relatie zal ons op alle lagen volledig begrijpen en geen enkele omgeving zal uitsluitend voedend zijn. Maar er is een wezenlijk verschil tussen ergens leren omgaan met wat moeilijk is en langdurig leven in een omgeving waarin belangrijke delen van jezelf nauwelijks voeding krijgen.

Dat verschil mogen we leren herkennen.


Waar word ik levendiger?

Daarom is er een vraag die steeds belangrijker voor me is geworden: is dit een omgeving waarin mijn wezen tot bloei komt?


Het is een andere vraag dan of ik hier succesvol ben, of mensen mij aardig vinden of zelfs of ik hier volledig word begrepen. Het gaat om iets subtielers: wat gebeurt er met mij wanneer ik hier ben? Word ik nieuwsgieriger, ruimer en levendiger? Ontstaat er meer ruimte in mijn denken en in mijn lichaam? Krijg ik zin om te leren, te maken, te delen en verder te ontdekken? Voel ik dat er iets in mij wakker wordt?


En omgekeerd: wat gebeurt er wanneer ik langere tijd in een bepaalde omgeving ben? Voel ik me na gesprekken gevoed of vooral leeg? Niet de gezonde leegte van rust na een intensieve dag, maar de merkwaardige leegte die ontstaat wanneer je veel aanwezig bent geweest zonder werkelijk te zijn aangeraakt. Je kunt omringd zijn door mensen en toch thuiskomen met de vraag: waarom voel ik me hier zo leeg?


Die vraag hoeft niet automatisch te betekenen dat iemand anders iets verkeerd heeft gedaan. Soms vertelt ze eenvoudigweg dat een bepaalde laag van jou in die omgeving niet wordt aangesproken (en ook dat je soms niet met jezelf verbonden bent). Misschien is er gezelligheid, maar geen verdieping. Misschien is er liefde, maar weinig nieuwsgierigheid. Misschien deel je een geschiedenis, maar nauwelijks een toekomstbeeld.


Dan hoeft het antwoord niet te zijn dat je jezelf beter moet leren aanpassen. Het kan ook betekenen dat je meer plekken nodig hebt waar die delen van jou wél kunnen bestaan.


Van minderwaardigheid naar waardigheid

Voor mij raakt dit aan iets wat dieper ligt dan zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen kan groeien wanneer je ervaart dat je iets kunt. Waardigheid gaat over iets fundamentelers: over het niet langer afhankelijk maken van je eigenwaarde van het vermogen van anderen om die waarde te herkennen.

Wanneer je lange tijd weinig passende spiegeling hebt ontvangen, kan het gebeuren dat je niet alleen denkt dat iets niet begrepen wordt, maar dat je de conclusie trekt dat er iets mis is met jou. Dat je moeilijk bent. Dat je niet de moeite waard bent. Dat wat jij nodig hebt blijkbaar te veel gevraagd is.


De beweging daaruit is niet dat je jezelf vervolgens moet overtuigen van het tegenovergestelde. Het gaat niet om jezelf groter maken en evenmin om anderen ongelijk geven. Het gaat om het terugbrengen van de conclusie naar de juiste plaats.


Misschien was niet jouw nieuwsgierigheid het probleem, maar het gebrek aan ruimte waarin die nieuwsgierigheid kon worden ontvangen. Misschien was je behoefte aan schoonheid niet oppervlakkig, maar eenvoudigweg niet iets waar de mensen om je heen toegang toe hadden. Misschien was je verlangen naar diepgang niet overdreven, maar was er weinig vermogen om elkaar daar te ontmoeten.


Dat is een wezenlijk verschil.


Waardigheid betekent dan dat je wat in jou leeft niet langer hoeft te onderwerpen aan de vraag of een ander het begrijpt voordat je het serieus mag nemen. Je mag nieuwsgierig zijn. Je mag schoonheid belangrijk vinden. Je mag verlangen naar kunst, muziek, cultuur, goede gesprekken en ideeën die je wereld groter maken. Je mag ambitie hebben en een rijk leven willen leiden. Niet omdat dat je beter maakt dan een ander, maar omdat het onderdeel is van wie je bent en van de manier waarop jij betekenis ervaart.


Minderwaardigheid verandert op die manier niet in superioriteit, maar in waardigheid. Je hoeft niet meer te denken: ik ben moeilijk. Je kunt leren zeggen: dit is belangrijk voor mij.

Dat lijkt een kleine verschuiving, maar het verandert de manier waarop je leeft.


De juiste spiegels

Er komt dan een moment waarop je opnieuw mag kiezen wie en wat je omringt. Niet alleen de mensen die toevallig op je pad kwamen, niet alleen de relaties die al lang bestaan en niet alleen de wereld die je kent omdat je erin bent opgegroeid. Je mag nieuwe werelden binnengaan en ontdekken wat daar met je gebeurt. Dit geldt zowel innerlijk als uiterlijk.


Een concertzaal kan zo’n plek zijn. Een museum, een boekhandel, een tafel met mensen die spreken over onderwerpen waar je nog weinig van weet, een ontmoeting met iemand die jouw manier van denken uitdaagt. Je hoeft daar niet meteen ergens bij te horen. Het kan al genoeg zijn om te ervaren dat er een wereld bestaat waarin iets wat voor jou belangrijk is vanzelfsprekend aanwezig is.

Daar kunnen nieuwe spiegels ontstaan.


Niet noodzakelijk mensen die hetzelfde zijn als jij, maar mensen die iets herkennen en er nieuwsgierig naar worden. Mensen die een gedachte niet meteen afronden, maar haar verder onderzoeken. Mensen die niet alleen vragen wat je doet, maar ook willen weten wat je denkt, wat je ziet en waar je naartoe beweegt.


Dat soort ontmoetingen kunnen iets herstellen wat jarenlang nauwelijks zichtbaar was: het gevoel dat je niet vreemd bent omdat iets je diep raakt. Je ontdekt dat er meer mensen zijn die schoonheid belangrijk vinden, die willen leren, die zich verwonderen, die gesprekken willen voeren die niet na vijf minuten ophouden. Niet omdat iedereen hetzelfde is, maar omdat er meer werelden bestaan dan de wereld waarin je gewend bent jezelf te zien.


Misschien is dat ook een vorm van volwassen vrijheid: niet wachten tot de bestaande omgeving verandert, maar zelf leren bewegen naar plekken waar meer van je leven kan worden aangesproken.


Een andere vorm van belichaming

Belichaming wordt voor mij daarom steeds minder een kwestie van alleen naar binnen keren. Het gaat ook over de wereld waarin je jezelf laat leven.


Over leren herkennen welke mensen, plaatsen, ideeën en vormen van schoonheid je voeden. Over luisteren naar wat er in je lichaam gebeurt wanneer je ergens binnenkomt. Over merken waar je adem verdiept, waar je aandacht ruimer wordt en waar je nieuwsgierigheid vanzelf op gang komt. En ook over eerlijk durven erkennen wanneer een omgeving je op den duur vooral leeg achterlaat.

Dat vraagt niet om een leven waarin alles perfect op jou is afgestemd. Het vraagt om onderscheidingsvermogen.


Je hoeft niet overal te passen. Je hoeft niet iedereen te overtuigen. Je hoeft ook niet van iedere relatie te verlangen dat zij alle kanten van jou kan dragen. Maar je mag wel steeds bewuster worden van de vraag waar je je tijd, aandacht en levenskracht aan geeft.


Welke gesprekken wil je vaker voeren? Welke mensen wil je beter leren kennen? Welke muziek wil je horen? Welke boeken wil je lezen? Welke kunst wil je om je heen hebben? Welke werelden wil je binnengaan? En misschien vooral: bij welke mensen voel je dat er niet iets van je afgaat, maar juist iets bijkomt?


Dat zijn geen oppervlakkige keuzes. Ze bepalen mede de kwaliteit van een leven.

Misschien begint daar een nieuwe vorm van thuiskomen. Niet doordat je eindelijk ergens volledig wordt begrepen, maar doordat je jezelf niet langer beoordeelt aan de hand van wat een bepaalde omgeving wel of niet in jou kon herkennen. Je leert onderscheiden wat van jou is en wat van de omgeving kwam. Je neemt mee wat je hebt geleerd, maar niet langer iedere conclusie die je ooit over jezelf hebt getrokken.


De vraag verschuift dan langzaam van wat is er mis met mij? naar wat heb ik nodig om goed te kunnen leven? Van waarom begrijpt niemand mij? naar wie kan mij werkelijk ontmoeten? En uiteindelijk van pas ik hier? naar de veel vrijere vraag:


Is dit een omgeving waarin mijn wezen tot bloei komt?

Het antwoord zal niet altijd ja zijn. Dat hoeft ook niet. Niet iedere plek is jouw plek, niet ieder mens is jouw mens en niet iedere levensfase vraagt om dezelfde omgeving.


Maar wanneer je die vraag serieus begint te nemen, verandert er iets fundamenteels. Je hoeft jezelf niet langer overal passend te maken. Je kunt leren voelen waar je lichaam ontspant, waar je denken wordt uitgenodigd, waar je nieuwsgierigheid groeit en waar je aanwezigheid groter wordt zonder dat je jezelf groter hoeft te maken.


Misschien is dat uiteindelijk een van de meest volwassen vormen van waardigheid: niet langer proberen jezelf te bewijzen aan de wereld die je niet kon zien, maar de moed ontwikkelen om een wereld te zoeken en mede te creëren waarin je werkelijk kunt leven.


Niet omdat je eindelijk hebt geleerd wie je moet zijn.


Maar omdat je steeds beter bent gaan herkennen waar je jezelf niet hoeft te verlaten om erbij te horen of de verbinding met dierbaren te behouden.



Opmerkingen


bottom of page