That I would be Good
Er is een soort liefde waarin je niets hoeft te doen om aanwezig te zijn. Je bent er. Je luistert, je kijkt, je zegt wat waar is en je laat ook stiltes bestaan. Er is geen plan. Geen strategie. Je probeert de ander niet te worden, en de ander hoeft jou niet te worden. Er is alleen die merkwaardige eenvoud van ergens werkelijk zijn, open en onbeschermd, zonder te weten wat er van je aanwezigheid gemaakt zal worden.
Totdat er iets verschuift.
Een zin die zacht bedoeld was, komt hard aan. Wat je zei wordt iets anders dan wat je zei. Een bedoeling krijgt een betekenis die je er niet in herkent. Je probeert het uit te leggen, niet omdat je jezelf wilt vrijpleiten, maar omdat je samen terug wilt naar het moment waarop het nog eenvoudig was.
Maar daar kom je niet meer.
Je weet nog wat je zei. Je weet waarom je het zei. Je weet wat je voelde toen je het zei. En toch staat daar ineens een andere werkelijkheid tegenover je, met een zekerheid die je aan het wankelen brengt.
Hoe zijn we hier gekomen?
Dat is de plek waar de wond begint.
Niet bij één harde zin, niet bij één ruzie, niet eens bij wat er over je wordt gezegd. De diepste pijn zit in het moment waarop je merkt dat wat voor jou werkelijk was, door de ander niet meer als werkelijkheid wordt herkend. Je staat er nog. Met dezelfde woorden, dezelfde intentie, dezelfde liefde. Alleen is er aan de andere kant iets ontstaan waarin jij jezelf niet meer terugvindt.
En hoe meer je probeert duidelijk te maken wat er werkelijk gebeurde, hoe verder je ervan af lijkt te raken.
Je legt uit. Je haalt een gesprek terug. Je zoekt naar de precieze woorden. Je denkt na over je toon, je timing, je aandeel. Je bent bereid naar jezelf te kijken. Je wilt begrijpen. Je wilt verantwoordelijkheid nemen voor wat van jou is.
Maar ergens onderweg verandert de vraag.
Niet langer: wat gebeurde hier tussen ons?
Maar: wat is er mis met mij dat jij mij zo ziet?
Dat is een verschrikkelijke verschuiving. Want je kunt veel verdragen wanneer je voelt dat de werkelijkheid gedeeld wordt. Je kunt verschil verdragen, pijn, boosheid, teleurstelling. Je kunt zelfs verdragen dat iemand je niet begrijpt. Wat bijna ondraaglijk wordt, is wanneer jouw openheid onderdeel wordt van het bewijs tegen je. Wanneer wat je vertelt om dichterbij te komen later wordt aangehaald om je te beschrijven. Wanneer jouw verdriet ineens jouw karakter wordt. Wanneer jouw reactie het gesprek gaat bepalen en niemand meer kijkt naar wat eraan voorafging.
Dan sta je daar met je hart nog open en moet je jezelf verdedigen tegen een versie van jezelf die je niet kent.
Dat is niet alleen verdriet.
Het is verwarring. Het is machteloosheid. Het is woede die geen plaats vindt omdat zelfs die woede weer tegen je kan worden gebruikt. Het is de uitputting van steeds opnieuw proberen terug te keren naar iets eenvoudigs: dit is wat ik bedoelde. Dit is wat ik voelde. Dit is waar ik stond.
En ondertussen begint er iets in je vooruit te lopen.
Je voelt eerder dan voorheen wat een ander kan verdragen. Je weegt je woorden. Je houdt iets in. Je maakt een scherpe rand zachter voordat iemand er iets van kan vinden. Je voelt de stemming in een kamer nog voordat je weet waarom. Niet omdat je niet weet wie je bent, maar omdat je inmiddels weet wat er kan gebeuren wanneer je helemaal zichtbaar bent.
Dat is misschien wel een van de wreedste gevolgen: dat liefde, die ooit een plek van aanwezigheid was, een plek wordt waar je moet opletten.
En toch blijft er ergens iets dat zich niet laat wegredeneren.
Het weet dat het er was.
Dat je niet loog. Dat je liefde niet gespeeld was. Dat je woorden niet bedoeld waren als wapens. Dat je niet met een verborgen agenda aanwezig was. Dat er een werkelijkheid bestond vóórdat die werd uitgelegd, beoordeeld, omgedraaid en voorzien van betekenissen die je nooit hebt bedoeld.
Daarom doet het zo diep pijn wanneer iemand zegt dat hij van je houdt en je tegelijkertijd niet werkelijk kan zien.
Want liefde is niet alleen voelen. Liefde heeft ook een vermogen nodig om de ander te ontmoeten zoals die ander er werkelijk is. Om pijn te kunnen dragen zonder haar bij de ander neer te leggen. Om te kunnen zeggen: dit is wat er in mij gebeurt zonder daarvan te maken: dus dit ben jij.
Wanneer dat vermogen ontbreekt, kan iemand oprecht van je houden en je toch niet bereiken.
En jij kunt oprecht van iemand houden en toch steeds verder verdwijnen in de ruimte tussen wat jij geeft aan aanwezigheid en wat de ander daarvan kan ontvangen.
Daar zit de rouw.
Niet alleen om wat verloren gaat, maar om wat je zo graag eenvoudig had willen laten zijn.
Om die ene plek waar je gewoon mocht bestaan, zonder jezelf te verklaren. Waar liefde niet eerst door een filter hoefde. Waar een zacht woord gewoon een zacht woord mocht blijven. Waar kwetsbaarheid niet later terugkwam als bewijsstuk. Waar twee mensen in dezelfde werkelijkheid konden staan en zeggen: ik zie wat hier gebeurt.
That I would be good.
Misschien raakt juist dat zinnetje zo diep.
Niet omdat goed zijn genoeg zou moeten zijn. Niet omdat liefde een beloning is voor wie zich goed gedraagt.
Maar omdat er ergens een verlangen woont dat ouder is dan alle uitleg: om aanwezig te mogen zijn zonder jezelf onderweg kwijt te raken.
En de wond weet nog hoe dat voelde.
Niet als zekerheid.
Als eenvoud.
(geinspireerd door het lied 'That I would be good', van Alanis Morissette)





Opmerkingen