top of page
Michelle van der Zee Biodynamische Psychologie

Updates

Relationele ontregeling

30 sep
10 minuten om te lezen

De complexiteit van (liefdes-)relaties; Hoe je jezelf kunt verliezen in een relatie en hoe je jezelf weer kunt hervinden.

Er is de laatste jaren iets opvallends gebeurd in hoe we spreken over moeilijke relaties. We hebben steeds meer woorden gekregen voor patronen die vroeger nauwelijks benoemd werden: narcisme, gaslighting, emotionele manipulatie, dwingende controle, trauma bonding. Dat heeft iets belangrijks geopend. Gedrag dat vroeger misschien werd weggewuifd als “zo is hij nu eenmaal” of “zo gaat dat in relaties”, kan nu herkenbaar worden als gedrag dat iemands autonomie, veiligheid of gevoel van eigenheid aantast.


Dat is waardevol. Want er zijn relaties waarin werkelijk sprake is van intimidatie, controle, vernedering, isolatie of geweld. Dwingende controle is geen metafoor, maar een patroon van gedrag waarmee iemands vrijheid en bewegingsruimte daadwerkelijk kunnen worden beperkt. Ook wanneer dat niet gepaard gaat met zichtbaar geweld, kan de impact groot zijn. Het is belangrijk om dat niet te relativeren en mensen niet terug te sturen naar een relatie die daadwerkelijk onveilig is.


Tegelijkertijd kan er ook iets anders gebeuren: dat we onveilig gedrag wel degelijk oppikken, maar het niet als zodanig herkennen. We kunnen wat er gebeurt goedpraten, rationaliseren of verklaren vanuit de geschiedenis van de ander. We kunnen zo sterk naar ons eigen aandeel kijken dat we het gedrag van de ander minder serieus nemen. En soms heeft ons lichaam al iets geregistreerd voordat we er bewust woorden voor hebben. We voelen spanning, trekken ons terug, worden hyperalert of raken juist afgestompt, maar geven daar een andere betekenis aan. We noemen het misschien onze eigen gevoeligheid, angst of hechting. We proberen onszelf te reguleren, terwijl er ondertussen ook iets in de relatie gebeurt waarop ons organisme reageert.


Dat betekent niet dat ieder lichamelijk alarmsignaal bewijst dat de ander onveilig voor ons is. Wel dat we onze lichamelijke signalen niet te snel moeten wegredeneren. Ook vermijden, dissociëren of voortdurend aanpassen kunnen manieren zijn waarop we iets niet helemaal hoeven te voelen of onder ogen te zien wat we ergens al wel hebben opgepikt. Ons lichaam kan iets registreren voordat we daar met ons bewuste denken een helder verhaal van hebben gemaakt. We merken het wel, maar vertalen het nog niet noodzakelijk als: hier gebeurt iets wat niet goed voor mij is.


Sterker nog: juist wanneer we iets in een relatie niet goed kunnen of willen herkennen, kan onze aandacht zich helemaal niet op de ander richten. We kunnen juist denken dat er met de relatie niets wezenlijks mis is. We verklaren onze spanning vanuit onszelf: ik ben te gevoelig, ik ben moe, ik heb last van mijn hechting, ik ben getriggerd, ik moet beter leren reguleren. We kunnen onszelf steeds verder aanpassen aan wat er gebeurt, terwijl we tegelijkertijd het beeld van de relatie als liefdevol, veilig of in wezen goed overeind houden. Niet omdat we bewust iets ontkennen, maar omdat ons systeem kennelijk nog geen toegang heeft tot een ander verhaal.


Soms is er dus al iets in ons dat reageert, terwijl ons bewuste denken de betekenis daarvan nog niet heeft ingehaald. We voelen spanning, trekken ons terug, worden hyperalert of raken juist afgestompt, maar verbinden die ervaring nog niet met wat er daadwerkelijk tussen ons en de ander gebeurt. We merken het wel, maar weten nog niet noodzakelijk wat we merken.


Pas wanneer we die discrepantie serieus gaan nemen, kan er een andere vraag ontstaan. Niet alleen: wat gebeurt er in míj? Maar ook: wat gebeurt er eigenlijk tussen ons?


En juist daar kan vervolgens een andere valkuil ontstaan. We zijn onze aandacht steeds meer gaan richten op de vraag wat de ander is. Is hij een narcist? Is zij emotioneel onvolwassen? Is dit gaslighting? Is dit trauma bonding? Was het manipulatie? Was het liefde? Was het allemaal een illusie?


Daarmee kan een begrijpelijke zoektocht naar helderheid ongemerkt veranderen in een voortdurende gerichtheid op de ander.


Daarom hebben we een rijker model nodig. Een model waarin we het gedrag van de ander serieus nemen, zonder alles wat er in ons gebeurt uitsluitend vanuit de ander te verklaren.


Want iemand kan goede kanten hebben en gedrag vertonen dat door jou als onveilig wordt ervaren, zonder dat daarmee automatisch vaststaat dat die persoon objectief gevaarlijk is. Dat neemt jouw ervaring niet weg. Het maakt alleen duidelijk dat hoe iets voor jou voelt en wat er feitelijk gebeurt twee verschillende vragen zijn die allebei aandacht verdienen.


Ook de term narcisme vraagt om onderscheid. Narcistische trekken, narcistische afweer en een narcistische persoonlijkheidsstoornis zijn niet hetzelfde. Narcistische afweer kan bijvoorbeeld een manier zijn om met schaamte, kwetsbaarheid, afhankelijkheid of een bedreigd gevoel van eigenwaarde om te gaan. Iemand hoeft geen narcistische persoonlijkheidsstoornis te hebben om zich egocentrisch, controlerend of kwetsend te gedragen. En iemand met zulke trekken hoeft evenmin in alle situaties hetzelfde te functioneren.


Ook emotionele reactiviteit of onvolwassenheid is iets anders dan dwingende controle. Iemand kan slecht met afwijzing, grenzen, schaamte of frustratie omgaan en daardoor gedrag vertonen dat een ander diep raakt, zonder dat daarmee automatisch sprake is van een patroon van dwingende controle. Dat onderscheid doet ertoe, juist omdat we anders verschillende relationele werkelijkheden op één hoop gooien.


Intentie en effect zijn bovendien niet hetzelfde. Iemand kan je niet bewust willen ‘beschadigen’ en toch gedrag vertonen dat voor jou ‘schadelijk’ is. En omgekeerd betekent het feit dat jij je in een relatie angstig, verward of lichamelijk ontregeld voelt niet automatisch dat de ander daarmee ook de oorzaak van alles wat er in jou gebeurt is.


Bij iemand die voor ons belangrijk is, kan juist de verbinding met die persoon zowel regulerend als ontregelend werken. Je kunt je door iemand geliefd voelen en tegelijk diep ontregeld raken in de dynamiek die tussen jullie ontstaat. Niet omdat de ander simpelweg jouw zenuwstelsel ‘ontregelt’, maar omdat wat er tussen twee mensen gebeurt voortdurend in wisselwerking staat met ieders lichaam, geschiedenis, verwachtingen, hechting en manieren van omgaan met spanning. De ander kan iets in beweging brengen. De relatie kan iets activeren. En wat vervolgens in jou gebeurt, ontstaat in die ontmoeting: uit wat de ander doet, wat jij waarneemt, wat jullie samen meemaken én wat jouw eigen geschiedenis daarin meebrengt.


Dat is ook waarom iemand met een relatief veilige hechtingsbasis later in het leven toch diep ontregeld kan raken in een relatie. Hechting is geen levenslang certificaat dat je immuun maakt voor relationele ontregeling. Mensen blijven relationele wezens. Een relatie kan nieuwe kwetsbaarheden openen, oude ervaringen activeren of langdurige spanning veroorzaken, ook wanneer iemand eerder in het leven voldoende veiligheid en vertrouwen heeft gekend.


Veilige hechting betekent bovendien niet dat je nooit spanning ervaart of alles alleen kunt dragen. Het betekent eerder dat ontregeling niet automatisch gelijkstaat aan verlatenheid. Er is ergens een bedding waarin spanning kan worden opgevangen, waarin verbinding en autonomie naast elkaar kunnen bestaan en waarin herstel mogelijk wordt.


Dat raakt aan iets fundamenteels in ons mens-zijn. Verbinding is geen luxe boven op het biologische bestaan. Onze biologie is gebouwd voor verbinding. Een baby kan zichzelf niet reguleren zoals een volwassene dat kan. Zonder voldoende afstemming en nabijheid raakt een baby ontregeld en gedesoriënteerd. In de loop van ons leven ontwikkelen we steeds meer eigen regulatiemogelijkheden, maar daarmee verdwijnt onze relationele afhankelijkheid niet.

Tijdens de coronapandemie werd dat voor veel mensen ineens zichtbaar. De beperking van aanraking, gezichten, spontane ontmoetingen, samen eten, samen bewegen en eenvoudigweg bij elkaar zijn, had gevolgen die verder gingen dan alleen “minder gezelligheid”. Sociale isolatie en de ontwrichting van dagelijkse verbinding gingen bij veel mensen samen met meer angst, somberheid en stress. Dat maakt een pandemie natuurlijk niet hetzelfde als relationeel trauma. Maar het laat wel iets zien van hoezeer onze menselijke regulatie ingebed is in contact.


En juist daarom kan relationele ontregeling zo lichamelijk voelen. Niet alleen als verdriet of angst, maar als slecht slapen, hyperalertheid, uitputting, verwarring, een leeg gevoel, een lichaam dat niet meer vertrouwd aanvoelt. Het organisme raakt uitgeput van het voortdurend moeten verenigen van tegenstrijdige werkelijkheden: nabijheid en dreiging, liefde en spanning, verlangen en terugtrekken, veiligheid en onzekerheid.


Dat is iets anders dan ‘te gevoelig zijn’. En ook iets anders dan ‘niet kunnen loslaten’.

Het lichaam is in zulke situaties geen passieve ontvanger van wat er psychologisch gebeurt. Ons lichaam is voortdurend bezig met oriënteren, afstemmen, beschermen, herstellen en opnieuw zoeken naar een gevoel van samenhang. Daarom kan angst ook blijven bestaan wanneer het verstand allang begrijpt dat een relatie voorbij is of dat er geen direct gevaar meer is.


De angst gaat dan lang niet altijd alleen over die ander. Soms gaat ze vooral over de toestand waarin je terecht bent gekomen: ontregeld zijn, jezelf niet meer goed voelen, niet weten wat je voelt, niet meer thuis zijn in je eigen lichaam. Dat is een heel eenzame plek, juist omdat de verbinding met jezelf daar tijdelijk zo moeilijk toegankelijk kan zijn.


Ook vanuit andere kennistradities wordt lichamelijke en relationele ontregeling al eeuwenlang op verschillende manieren beschreven. Hoewel deze tradities niet hetzelfde verklaringsmodel hanteren als de moderne stressfysiologie, richten ze de aandacht wel op een vergelijkbare vraag: wat gebeurt er met een mens wanneer spanning, ervaring en het vermogen tot herstel langere tijd uit balans raken? Zowel Ayurveda als de Chinese geneeskunst hebben hiervoor een eigen taal ontwikkeld, waarin lichaam, geest, omgeving en ervaring minder strikt van elkaar worden gescheiden.


Ayurveda kijkt bijvoorbeeld niet alleen naar wat iemand eet of hoeveel iemand slaapt, maar naar de vraag of het leven werkelijk kan worden opgenomen en omgezet in voeding, kracht en weefsel. De dhatus — de zeven weefsellagen van het lichaam — vormen binnen Ayurveda een beeld van hoe het lichaam zich stap voor stap voedt en opbouwt. Wanneer iemand langere tijd onder spanning staat, is het in die taal dus niet alleen de vraag óf iemand voldoende voeding of rust krijgt, maar ook of die voeding, rust, aanraking en ervaring werkelijk kunnen landen. In Ayurvedische termen gaat het dan onder meer over dhatu-poshana: het voeden en onderhouden van de weefsels. Het is een andere taal dan die van de moderne stressfysiologie, maar ze raakt aan een vergelijkbare menselijke ervaring: dat herstel niet alleen betekent dat de alarmstand afneemt, maar ook dat ons lichaam weer voldoende kan ontvangen, verwerken en opbouwen.


De Chinese geneeskunst benadert dit vanuit een andere traditie, maar ook daar staat de dynamiek tussen beweging, rust, opname en herstel centraal. Binnen de Chinese geneeskunde wordt gezondheid niet alleen gezien als de afwezigheid van een klacht, maar als een dynamisch evenwicht tussen beweging en rust, opnemen en loslaten, spanning en herstel. Qi verwijst daarbij naar de vitale beweging en activiteit van het organisme. Shen wordt vaak verbonden met geest, bewustzijn en aanwezigheid. Wanneer iemand langdurig onder spanning staat, kan de ervaring ontstaan dat de vrije beweging van het leven steeds kleiner wordt: je bent wel aanwezig, maar niet werkelijk aangekomen; je lichaam is actief, maar je voelt je er niet meer helemaal in thuis.

Ook emoties worden binnen deze traditie niet uitsluitend als psychologische gebeurtenissen beschouwd. Ze worden verbonden met het lichamelijke functioneren en met de beweging van Qi. Langdurige spanning, ingehouden emoties of een voortdurende staat van waakzaamheid kunnen in die zienswijze de natuurlijke beweging verstoren. Dat biedt een andere ingang tot wat we in moderne termen bijvoorbeeld hyperalertheid, stagnatie, uitputting of verlies van vitaliteit zouden noemen.


Beide tradities gebruiken dus hun eigen begrippen en verklaringsmodellen en moeten niet zonder meer gelijkgesteld worden aan moderne wetenschappelijke inzichten. Hun waarde kan juist liggen in het bredere perspectief dat ze bieden: het lichaam niet uitsluitend zien als een drager van psychologische processen, maar als een levende werkelijkheid waarin ervaring, beweging, aandacht, relaties en lichamelijke toestand voortdurend met elkaar verweven zijn.


Daarom hoeven we niet steeds verder in het verhaal van de ander te duiken. Herstel kan beginnen wanneer de aandacht langzaam terugkomt. Naar je eigen lichaam. Naar je ademhaling, je beweging, je rust. Naar wat je prettig vindt en wat niet. Naar het verschil tussen spanning en veiligheid. Naar de kleine momenten waarop je merkt: hier ben ik weer.


Niet om de ander te negeren. Niet om gevaar te ontkennen. Maar om niet voortdurend buiten jezelf te hoeven blijven om te weten of je veilig bent.


Van scannen naar oriënteren.


En van daaruit kun je ook weer naar buiten kijken. Niet vanuit voortdurende alarmbereidheid, maar vanuit aanwezigheid.


Dat betekent niet dat je moet ontkennen wat er is gebeurd. Het betekent evenmin dat je jezelf verantwoordelijk moet maken voor het gedrag van de ander. Wanneer iemand je controleert, intimideert of geweld aandoet, is dat niet jouw schuld. Het terugvinden van je eigen handelingsruimte betekent niet dat je verantwoordelijkheid neemt voor wat de ander heeft gedaan.

Er is wel een verschil tussen schuld en eigen aandeel. Schuld gaat over de verantwoordelijkheid voor een daad. Eigen aandeel kan gaan over de vraag hoe jouw aandacht, gedrag en keuzes zich in een bepaalde dynamiek zijn gaan organiseren. Misschien ben je steeds meer gaan anticiperen op de stemming van de ander. Misschien ben je ongemerkt verder van je eigen ervaring af komen te staan doordat je vooral probeerde te begrijpen, te voorkomen, te herstellen of de relatie bij elkaar te houden.


Dat zien is geen beschuldiging. Het kan juist een begin zijn van vrijheid.


Want je kunt jezelf verliezen in verbinding zonder dat iemand letterlijk je ‘zelf’ van je afneemt. Je kunt zo sterk op de ander gericht raken dat je eigen ervaring naar de achtergrond verdwijnt. Je probeert jezelf dan soms terug te vinden door de ander steeds beter te begrijpen.

Maar daar ligt juist een grens.


Ik hoef niet precies te weten wat hij is om serieus te nemen wat er met mij gebeurt.

Herstel begint daar. Niet bij het definitief begrijpen van de ander, maar bij het opnieuw vertrouwen op je eigen ervaring. Niet iedere angst onmiddellijk tot waarheid maken, maar haar ook niet wegredeneren. Niet jezelf de schuld geven, maar wel onderzoeken waar je eigen handelingsruimte ligt.


Veiligheid betekent uiteindelijk niet dat je nooit meer ontregeld raakt of dat je iedereen kunt doorzien. Het betekent eerder dat je, ook wanneer een relatie je diep raakt, contact met jezelf kunt blijven houden.


Dat vraagt niet om een keuze tussen “het zit in mij” en “het zit in de ander”. Wat er tussen mensen gebeurt, ontstaat in een voortdurend samenspel van gedrag, waarneming, geschiedenis, hechting, verwachtingen en lichamelijke reacties. Soms is het nodig om scherper te zien wat de ander doet. Soms om te onderzoeken wat er in jezelf wordt geraakt. Vaak zijn beide bewegingen nodig.

Daarom is terugkeren naar jezelf geen manier om de ander buiten beeld te plaatsen. Het is een manier om weer vanuit jezelf te kunnen kijken.


Je hoeft niet alles te verklaren om iets serieus te nemen. Je hoeft je eigen waarneming niet te bewijzen om ernaar te mogen luisteren. En je hoeft jezelf niet kwijt te raken om verbonden te blijven.


Belichaming begint daar: weer kunnen voelen wat van jou is, wat er tussen jullie gebeurt en waar jij staat. In die ruimte tussen waarnemen en verklaren, tussen verbinding en autonomie, kan iets terugkeren wat onderweg verloren was geraakt: jezelf.



Opmerkingen


bottom of page