top of page
Michelle van der Zee Biodynamische Psychologie

Updates

Ontwikkeling van binnenuit

21 minuten geleden
5 minuten om te lezen

Wat als we kinderen te goed leren zich aan te passen?

Sinds mijn dochter naar het gymnasium gaat, denk ik opnieuw na over wat we eigenlijk bedoelen wanneer we zeggen dat een kind zich ontwikkelt. Haar schooldagen zijn inmiddels behoorlijk gevuld met nieuwe vakken, nieuwe informatie, huiswerk en toetsen. Er wordt veel van buitenaf aangeboden wat zij moet opnemen, begrijpen, onthouden, verwerken en uiteindelijk weer reproduceren. Ik zie hoe haar hoofd daar vol van raakt. Natuurlijk hoort een periode van aanpassen bij een grote overgang als deze en ik wil daar ook niet te snel een probleem van maken. Tegelijkertijd maakt juist deze ervaring iets zichtbaar waar ik al langer over nadenk: hoe vanzelfsprekend we ontwikkeling zijn gaan verbinden aan wat we een kind kunnen aanbieden, aanleren, oefenen en meten.


Dat is op zichzelf niet vreemd. We willen kinderen iets meegeven waarmee ze zich in de wereld kunnen bewegen en kennis en vaardigheden zijn daar onmisbaar voor. Een kind moet leren lezen, schrijven, rekenen en zelfstandig werken en mag worden uitgedaagd om zijn mogelijkheden te ontdekken. Maar wanneer we ontwikkeling vooral gaan herkennen in datgene wat zichtbaar en meetbaar vooruitgaat, ontstaat er een veel smaller beeld van wat een mens zich eigenlijk allemaal eigen maakt.


Een kind ontwikkelt zich immers niet pas wanneer wij beginnen met lesgeven. Denk aan kruipen, lopen of tanden wisselen. Daar bestaat geen bijles voor en ook geen programma waarmee we een kind efficiënter door de eerste drie jaar van hun leven kunnen loodsen. Wanneer er voldoende veiligheid, ruimte en aandacht is, ontvouwt een groot deel van deze ontwikkeling zich vanuit het kind zelf. Dat betekent niet dat ontwikkeling moeiteloos verloopt. Er wordt geoefend, gevallen, gefrustreerd en opnieuw geprobeerd. Maar het is iets anders dan ontwikkeling volledig van buitenaf organiseren.


Toch zijn we steeds meer gaan vertrouwen op precies datgene wat we kunnen organiseren. We maken leerdoelen, volgen voortgang, meten prestaties en proberen ontwikkeling zo vroeg mogelijk te ondersteunen. Dat geeft houvast en heeft ons veel gebracht. Tegelijkertijd raakt daardoor gemakkelijk uit beeld wat zich moeilijker laat vastleggen in een leerplan: opmerkzaamheid, nieuwsgierigheid, verbeelding, creativiteit, gevoeligheid, intuïtie, het vermogen om werkelijk contact te maken en te merken wat er in jezelf en tussen mensen gebeurt. We kunnen deze kwaliteiten inmiddels benoemen als belangrijke competenties voor de toekomst, maar daarmee hebben we nog niet geregeld dat er in het dagelijks leven ook voldoende ruimte is waarin ze zich kunnen ontwikkelen.


Daar zit voor mij een belangrijk verschil. We hoeven het cognitieve niet kleiner te maken om te erkennen dat het maar een deel van menselijke ontwikkeling is. Het probleem ontstaat wanneer juist datgene wat van buitenaf kan worden aangeboden, geoefend en beoordeeld zo dominant wordt dat andere vormen van waarnemen en ontwikkelen steeds minder worden aangesproken. Wat veel aandacht krijgt, wordt verfijnder. Wat weinig wordt gebruikt, krijgt minder gelegenheid om zich verder te ontwikkelen.


In mijn praktijk zie ik daar later soms de gevolgen van. De mensen met wie ik werk zijn vaak hoogopgeleid en hebben jarenlang uitstekend gefunctioneerd. Ze kunnen analyseren, reflecteren, plannen, verantwoordelijkheid nemen en zich aanpassen aan wat er van hen wordt gevraagd. Tegelijkertijd kan het verrassend moeilijk zijn om iets heel eenvoudigs werkelijk waar te nemen. Waar zitten je zitbotten? Wat voel je op dit moment in je voeten? Zijn ze warm of koud, gespannen of ontspannen, zwaar of licht? Niet omdat die informatie op zichzelf zo belangrijk is, maar omdat iemand kan hebben geleerd om vooral waarde te hechten aan wat hij denkt, begrijpt en kan uitleggen. Zelfs iets als ‘met beide voeten op de grond staan’ kan dan een begrip worden waarover iemand uitstekend kan nadenken, zonder dat hij werkelijk merkt wat er in zijn eigen voeten gebeurt.


Daarmee komen we bij iets wat veel groter is dan lichaamsbewustzijn. Ons hele zijn geeft informatie. We nemen waar met onze zintuigen, bewegen, voelen aantrekkingskracht en weerstand, merken spanning en ontspanning op, ervaren plezier, verveling, verzadiging en onrust en reageren voortdurend op andere mensen en onze omgeving. Dat betekent niet dat ieder lichamelijk signaal een waarheid bevat waarnaar we onmiddellijk moeten handelen. Het betekent wel dat een mens een veel rijker waarnemingsvermogen heeft dan alleen het vermogen om na te denken over wat er gebeurt.


Juist daar wordt de vraag naar ontwikkeling maatschappelijk interessant. Want de wereld waarin onze kinderen volwassen worden, vraagt niet alleen om mensen die veel weten en zich goed kunnen aanpassen. We hebben mensen nodig die kunnen omgaan met onzekerheid, die nieuwe mogelijkheden kunnen zien, die verbinding kunnen maken, die kunnen samenwerken, die opmerkzaam zijn voor wat er werkelijk gebeurt en die in staat zijn om bestaande ideeën ter discussie te stellen. Ook internationale organisaties als de OECD beschrijven inmiddels een veel breder beeld van wat jonge mensen voor de toekomst nodig hebben, met naast cognitieve vaardigheden onder meer creativiteit, nieuwsgierigheid, samenwerking, zelfbewustzijn, agency en het vermogen om met complexiteit en onzekerheid om te gaan.


Daarmee ontstaat een merkwaardige paradox. We willen kinderen voorbereiden op een wereld die voortdurend verandert en waarin niet alles vooraf bekend of oplosbaar is, terwijl een groot deel van hun ontwikkeling nog altijd wordt georganiseerd rond het beheersen van wat al bekend is. Ze leren wat ze moeten weten, wat ze moeten kunnen en wat er van hen wordt verwacht. Dat is waardevol, maar het vraagt ook iets van ons als volwassenen: of we voldoende ruimte laten voor kwaliteiten die niet alleen nodig zijn om goed mee te bewegen met de wereld, maar juist om te kunnen waarnemen wanneer die wereld aan verandering toe is.


Aanpassingsvermogen is immers een prachtige menselijke kwaliteit. Een kind moet zich kunnen verhouden tot anderen, nieuwe situaties kunnen aangaan en leren omgaan met wat het niet zelf heeft gekozen. Maar wanneer aanpassen de dominante vorm van ontwikkeling wordt, kan er iets anders onder druk komen te staan: het vermogen om op te merken wat je zelf ervaart, waar je grens ligt, wat je verlangt, wat je niet begrijpt of waar iets voor jou niet klopt. Dan kan een kind heel goed leren functioneren binnen de bestaande kaders, terwijl juist de kwaliteiten die nodig zijn om die kaders later te bevragen minder ruimte krijgen.


Misschien ligt daar een vraag die we ons veel vaker zouden mogen stellen wanneer we over de ontwikkeling van kinderen praten. Niet alleen welke kennis en vaardigheden zij nodig hebben om goed mee te kunnen komen in de wereld die er al is, maar ook welke menselijke vermogens zij nodig hebben om die wereld werkelijk te kunnen waarnemen en er, wanneer dat nodig is, iets aan te veranderen. Want de toekomst heeft niet alleen mensen nodig die zich goed kunnen aanpassen aan wat bestaat. Ze heeft ook mensen nodig die voldoende contact hebben met zichzelf, met anderen en met hun omgeving om te kunnen merken wanneer iets niet meer klopt, zich een andere mogelijkheid kunnen voorstellen en daar vervolgens naar kunnen handelen.


Dat vraagt om meer dan een extra les over creativiteit, veerkracht of sociaal-emotionele ontwikkeling. Het vraagt om een ruimer begrip van wat ontwikkeling überhaupt is.

Voor mij begint daar het belang van een meer belichaamd leven. Niet als een nieuwe vaardigheid die we aan het bestaande curriculum kunnen toevoegen, maar als een manier om opnieuw toegang te krijgen tot de volle breedte van onze menselijke ervaring.


Door werkelijk waar te nemen wat er in ons gebeurt, ons te bewegen, te voelen, te ervaren en ons te verhouden tot anderen en onze omgeving, ontwikkelen we een vorm van aandacht die niet alleen iets vertelt over onszelf, maar ook over de wereld waarin we leven. Juist die verbinding tussen voelen, denken, handelen en contact is voor mij al jaren de kern van mijn werk.


Ik geloof niet dat we mensen vooral moeten leren zichzelf beter te managen of zich nog beter aan te passen. Ik wil onderzoeken wat er mogelijk wordt wanneer we onszelf weer vollediger leren bewonen. Dat is niet een onderwerp waar ik over schrijf naast mijn werk. Het is het werk waar ik mijn leven aan heb gewijd.



Opmerkingen


bottom of page