Wat in ons leeft
Over de intelligentie van ons lichaam en de beweging naar gezondheid
De vraag wat het betekent om levend te zijn, lijkt op het eerste gezicht eenvoudig. We weten immers wat leven is. Totdat je er werkelijk bij stilstaat. Een plant die zich naar het licht beweegt, een vogel die zich oriënteert op het magnetisch veld van de aarde, een slijmzwam die zonder hersenen een efficiënte route door een doolhof vindt: het zijn voorbeelden van organismen die voortdurend in relatie staan tot hun omgeving en daarbinnen hun eigen weg vinden. Ze nemen waar, reageren, bewegen en passen zich aan, zonder dat daar een bewuste gedachte of een vooraf opgesteld plan aan voorafgaat.
Juist die vorm van intelligentie onderzoekt de Britse natural philosopher Melanie Challenger in haar boek Alive. Vanuit biologie, filosofie en ecologie stelt zij de vraag wat levende organismen eigenlijk onderscheidt van machines. Haar uitgangspunt is dat leven niet goed te begrijpen is wanneer we het lichaam uitsluitend zien als een verzameling biologische processen die volgens bepaalde mechanismen functioneren. Een levend organisme heeft een eigen vorm van handelingsvermogen en staat voortdurend in wisselwerking met de wereld waarin het bestaat. Het lichaam is daarbij niet een omhulsel rond het leven, maar de manier waarop het leven zich manifesteert.
Dat idee raakt voor mij aan een vraag die al veel langer centraal staat in mijn werk: wat gebeurt er wanneer we onszelf niet in de eerste plaats begrijpen als een denkend bewustzijn dat een lichaam heeft, maar als een levend lichaam dat kan denken, voelen, waarnemen en betekenis geven?
Belichaming
In ons dagelijks taalgebruik maken we gemakkelijk onderscheid tussen onszelf en ons lichaam. We zeggen dat we een lichaam hebben, dat ons lichaam iets doet of dat ons lichaam niet meewerkt. Alsof er ergens een ‘ik’ bestaat dat los van het lichaam kan worden gedacht en het lichaam vervolgens bestuurt.
Wanneer we kijken naar hoe we werkelijk leven, blijkt die scheiding veel minder vanzelfsprekend. We ervaren de wereld niet eerst met ons denken om daarna via ons lichaam te reageren. Vanaf het allereerste begin zijn we belichaamd. Nog voordat we woorden hebben voor wat er gebeurt, is er al waarneming, oriëntatie, beweging en contact. Een ruimte kan ons aantrekken of juist doen terugdeinzen. In het contact met een ander kan ontspanning ontstaan, maar ook alertheid. We kunnen rationeel weten dat een situatie veilig is en toch merken dat ons lichaam zich (we ons) nog niet helemaal kan (kunnen) ontspannen. Andersom kan er een gevoel van vertrouwen ontstaan waarvoor we niet onmiddellijk een verklaring hebben.
Dat betekent niet dat ons lichaam altijd weet wat waar of goed voor ons is. Ons lichaam draagt immers ook onze geschiedenis. Het heeft geleerd wat veiligheid betekent, waar gevaar kan worden verwacht en welke aanpassingen nodig waren om ons staande te houden. Een lichamelijke reactie kan daarom iets vertellen over het huidige moment, maar ook een spoor dragen van eerdere ervaringen. Juist daarom vraagt lichaamsbewustzijn om verfijning. Niet om iedere sensatie als waarheid te beschouwen, maar om aandachtig te leren waarnemen en onderscheid te maken.
Voor mij is dat een belangrijk aspect van belichaming. Het gaat niet alleen om meer contact maken met ons lichaam, maar om onszelf leren kennen als het levende organisme dat we zijn. Ons lichaam is niet slechts de drager van onze ervaringen. Het is een wezenlijk onderdeel van de manier waarop we waarnemen, ervaren en ons tot de wereld verhouden.
De beweging die er al is
Deze manier van kijken is diep verbonden met mijn opleiding en mijn werk als lichaamsgericht therapeut. In de biodynamische psychologie staat het levende organisme centraal en is ontwikkeling niet iets wat volledig van buitenaf hoeft te worden aangebracht. De titel Leven in beweging van Lenie van Schie verwoordt voor mij iets wezenlijks: leven is voortdurend in beweging en ontwikkeling voltrekt zich van binnenuit, ook al kan dat proces ernstig worden verstoord door de omstandigheden waarin iemand opgroeit.
Een mens kan zich diepgaand aanpassen aan zijn omgeving. We kunnen leren om sterk te zijn, onszelf weg te cijferen, voortdurend rekening te houden met anderen, controle te houden of juist zo min mogelijk te voelen. Vaak zijn dat geen willekeurige patronen, maar manieren waarop een kind probeert om te gaan met wat er is. Een kind is afhankelijk van zijn omgeving en heeft een opmerkelijk vermogen om zich daaraan aan te passen. Wat later in het leven als een beperking wordt ervaren, kan ooit een heel intelligente manier zijn geweest om contact, veiligheid of verbondenheid te behouden.
Dat verandert de manier waarop ik naar zulke patronen kijk. Ik wil ze niet te snel zien als iets wat moet verdwijnen. Eerst wil ik begrijpen welke functie ze hebben gehad en welke intelligentie erin besloten ligt. Wanneer een organisme zich beschermt, doet het niet iets doms. Het probeert het leven te dienen binnen de mogelijkheden die het op dat moment heeft.
De moeilijkheid ontstaat wanneer een oude aanpassing niet meer kan meebewegen met de werkelijkheid van het huidige leven. Dan kan iets wat ooit bescherming bood, steeds meer vrijheid beperken. In therapie gaat het voor mij daarom niet zozeer om het afleren van patronen, maar om het opnieuw mogelijk maken van beweging. Wanneer iemand zich voldoende veilig voelt om waar te nemen wat er werkelijk gebeurt, kan er ruimte ontstaan tussen de oude bescherming en de huidige situatie. Vanuit die ruimte kunnen andere mogelijkheden zichtbaar en vooral voelbaar worden.
De spontane beweging naar verbinding en gezondheid
Hier raakt mijn biodynamische achtergrond aan NARM. Een van de uitgangspunten van NARM is dat er in ieder mens een spontane beweging aanwezig is richting verbinding, levenskracht en gezondheid. Laurence Heller vergelijkt deze beweging met een plant die zich naar het licht richt. Het beeld spreekt mij aan omdat het niet uitgaat van de gedachte dat gezondheid van buitenaf in een mens moet worden aangebracht. Er wordt juist gezocht naar wat er in het organisme zelf nog beweegt en welke omstandigheden nodig zijn om die beweging weer meer ruimte te geven.
Ook dit herken ik niet alleen uit theorie.
Ik weet uit mijn eigen leven hoe gemakkelijk het is om je aan te passen. Om sterk te zijn, door te gaan, verantwoordelijkheid te nemen en je af te stemmen op wat anderen nodig hebben. Dat zijn kwaliteiten die veel kunnen dragen en die ook onderdeel kunnen zijn van een goed en betrokken leven. Tegelijkertijd kan er een moment komen waarop je merkt dat je zo vertrouwd bent geraakt met aanpassen dat het moeilijker wordt om nog te voelen wat er vanuit jezelf beweegt.
Dat is voor mij een subtiel maar wezenlijk verschil. Het gaat niet om de vraag of we ons al dan niet moeten aanpassen; we zijn sociale wezens en hebben elkaar nodig. Het gaat om de mogelijkheid om te kunnen bewegen tussen aanpassen en trouw blijven aan wat we zelf ervaren. Om contact te kunnen maken zonder onszelf daarin kwijt te raken. Om een grens te kunnen voelen zonder het contact met de ander te hoeven verbreken.
Daarin ligt voor mij een belangrijke betekenis van gezondheid: niet een toestand waarin alles opgelost is en we ons altijd goed voelen, maar een vermogen om te blijven bewegen wanneer het leven verandert.
Wat ziekte mij heeft geleerd over leven
Misschien raakt dit thema mij ook zo diep omdat mijn eigen verhouding tot het leven is veranderd door de ervaring van ziekte. Een diagnose van melanoom bracht de mogelijkheid van de dood dichterbij. De eindigheid van het leven was ineens niet meer alleen iets wat ik rationeel wist, maar iets wat mijn verhouding tot mijn lichaam en tot mijn toekomst veranderde.
Zo’n ervaring kan het vanzelfsprekende karakter van het leven doorbreken. Je lichaam wordt ineens niet alleen de plek van waaruit je leeft, maar ook iets kwetsbaars dat ziek kan worden en uiteindelijk sterfelijk is. Tegelijkertijd kan juist daardoor zichtbaar worden hoe bijzonder het is dat een lichaam überhaupt leeft. Dat het zichzelf voortdurend organiseert, herstelt, reageert en zich aanpast. Dat er zonder bewuste aansturing ontelbare processen plaatsvinden die ons iedere dag opnieuw in leven houden.
De kwetsbaarheid en de levenskracht van ons lichaam zijn daarin geen tegenstellingen. Misschien worden ze juist begrijpelijker wanneer je ze samen ziet. Leven is kwetsbaar omdat het voortdurend verandert en afhankelijk is van omstandigheden. En juist in die voortdurende verandering laat het levende organisme een opmerkelijk vermogen zien om zich opnieuw te organiseren.
De geboorte van mijn dochter
Een heel andere ontmoeting met diezelfde levenskracht had ik bij de geboorte van mijn dochter. Het moederschap heeft mij op een heel directe manier laten ervaren dat een mens niet door ons wordt gemaakt. Vanaf het moment dat zij in mijn buik begon te groeien, voltrok zich een ontwikkeling die ik kon ondersteunen en beschermen, maar die ik niet vanuit mijn wil kon voortbrengen. Ik kon haar niet leren hoe haar hart moest ontstaan, hoe haar lichaam zich moest organiseren of welke unieke persoon zij uiteindelijk zou worden.
Er was al een eigen ontwikkelingsbeweging voordat zij zichzelf kon kennen als individu.
Toen zij geboren was, bleef die ervaring aanwezig. Bij jonge kinderen is de levenskracht nog zo zichtbaar. Niet omdat kinderen buiten de invloed van hun omgeving staan of omdat zij alleen maar spontaan en vrij zijn, maar omdat hun verhouding tot het leven nog zo direct kan zijn. Hun aandacht beweegt naar wat hen interesseert, ze onderzoeken de wereld met hun hele lichaam en kunnen volledig opgaan in iets wat hen raakt. Er is een sterke gerichtheid van binnenuit, terwijl tegelijkertijd hun ontwikkeling voortdurend plaatsvindt in relatie tot de mensen en de wereld om hen heen.
Juist die combinatie vind ik interessant: een kind ontwikkelt zich vanuit een eigen organisme en doet dat nooit los van zijn omgeving. De omgeving is geen decor waartegen de ontwikkeling plaatsvindt; zij maakt er deel van uit.
Dat brengt mij ook bij de vraag wat wij kinderen eigenlijk meegeven wanneer we hen opvoeden en onderwijzen.
Ruimte voor wat zich wil ontwikkelen
Mijn dochter heeft onderwijs genoten vanuit een antroposofische pedagogische visie. Wat mij daarin heeft aangesproken, is dat onderwijs niet uitsluitend wordt opgevat als het overdragen van kennis, maar ook als het scheppen van voorwaarden waarin een kind zich als uniek mens kan ontwikkelen. Natuurlijk moeten kinderen kennis en vaardigheden aangereikt krijgen. Maar er is daarnaast aandacht voor ontwikkeling die niet volledig van buitenaf kan worden georganiseerd.
Dat vraagt een andere houding van volwassenen. Niet alleen de vraag wat een kind nog moet leren staat centraal, maar ook de vraag wie dit kind aan het worden is en welke omstandigheden helpen om die ontwikkeling te ondersteunen. Er is ruimte voor beweging, spel, verbeelding, creativiteit en voor een eigen verhouding tot de wereld.
Voor mij ligt daar een belangrijke verbinding met lichaamsgerichte psychotherapie. Ook daar is het interessant om niet alleen te kijken naar wat iemand ontbreekt, maar naar wat er al aanwezig is. Een mens hoeft niet van buitenaf te worden gevuld met een nieuwe identiteit of een betere manier van leven. Er is al een lichaam, een geschiedenis, een vermogen tot contact en een ontwikkelingspotentieel. De therapeut kan daar niets voor in de plaats helpen ontwikkelen.
Wat we wel kunnen doen, is samen onderzoeken welke omstandigheden nodig zijn om iets wat lang niet beschikbaar is geweest opnieuw te kunnen ervaren. Dat vraagt aandacht en kennis, maar ook terughoudendheid. Niet alles hoeft onmiddellijk benoemd, geïnterpreteerd of opgelost te worden.
Soms is het belangrijker om ruimte te laten voor iets wat nog geen vorm heeft.
De diepere laag van ontwikkeling
In de meer contemplatieve laag van mijn opleiding heeft het werk van A.H. Almaas mij geholpen om daar nog op een andere manier naar te kijken. In zijn werk wordt onderzocht hoe onze identiteit in de loop van ons leven wordt gevormd door ervaringen, overtuigingen en identificaties, en hoe daardoor kwaliteiten van aanwezigheid en essentie minder direct toegankelijk kunnen worden. Het gaat daarbij niet om het afwijzen van onze persoonlijkheid, maar juist om het steeds directer onderzoeken van wat er in onze ervaring aanwezig is.
Dat sluit voor mij aan bij wat ik ook in lichaamsgericht werk belangrijk vind: dat we niet uitsluitend hoeven te begrijpen wat er met ons gebeurt, maar het ook rechtstreeks kunnen leren ervaren. Wanneer we onze aandacht werkelijk bij een ervaring kunnen houden zonder haar onmiddellijk te verklaren of te veranderen, kan er iets anders zichtbaar worden. Soms is dat een lichamelijke gewaarwording, soms een emotie, soms een helder inzicht en soms iets moeilijker te benoemen: een ervaring van aanwezigheid, ruimte of levendigheid.
Daarin zit voor mij ook iets van vertrouwen. Niet het vertrouwen dat alles vanzelf goed komt, maar het vertrouwen dat een mens niet volledig hoeft te worden gemaakt. Dat er een intelligentie in het levende aanwezig is die we kunnen ondersteunen zonder haar zelf te hoeven produceren.
Respect voor het levende
Misschien is dat uiteindelijk waarom het woord respect voor mij zo belangrijk is geworden.
Respect voor ons lichaam betekent niet dat we ieder lichamelijk signaal moeten volgen en evenmin dat het lichaam boven het denken staat. Het betekent dat we erkennen dat ons lichaam (we) een levend organisme is (zijn) met een eigen geschiedenis, een eigen dynamiek en een voortdurend vermogen om zich (ons) tot zijn (onze) omgeving te verhouden.
Daarmee verandert ook onze houding tegenover ontwikkeling. We hoeven onszelf niet voortdurend te zien als een project dat verbeterd moet worden. We kunnen ons afvragen wat er in ons al aanwezig is, wat daarvan door onze geschiedenis minder toegankelijk is geworden en welke omstandigheden helpen om opnieuw meer bewegingsvrijheid te ervaren.
Dat vraagt soms om verandering en soms juist om het verdragen van een periode waarin we nog niet weten wat de volgende beweging zal zijn. Een levend organisme heeft immers geen vooraf vastgelegde route. Het ontwikkelt zich in voortdurende wisselwerking met de wereld.
Dat is iets anders dan maakbaarheid. En het is ook iets anders dan passiviteit.
Er is een eigen beweging, maar die beweging ontstaat altijd in relatie.
Een andere betekenis van intelligentie
Daarom spreekt het werk van Melanie Challenger mij zo aan. Niet omdat zij hetzelfde zegt als de biodynamische psychologie, NARM, de antroposofische pedagogiek of het werk van Almaas. Dat zijn verschillende tradities, met verschillende uitgangspunten en verschillende manieren van onderzoeken. Wat mij interesseert, is dat zij ieder vanuit hun eigen perspectief raken aan een vergelijkbare fundamentele vraag: wat gebeurt er wanneer we het levende niet langer uitsluitend bekijken als iets dat wij van buitenaf moeten verklaren, sturen of vormen?
Challenger brengt die vraag vanuit de biologie en filosofie naar voren. NARM benadert haar vanuit psychotherapie en de spontane beweging richting verbinding en gezondheid. De biodynamische psychologie vertrekt vanuit het zelforganiserende en ontwikkelende organisme. In de antroposofische pedagogiek wordt gezocht naar onderwijs dat niet alleen kennis overdraagt, maar ook ruimte laat voor de ontwikkeling van de mens die zich daarin vormt. En in het werk van Almaas komt de vraag naar voren hoe we door directe ervaring opnieuw toegang kunnen krijgen tot kwaliteiten van aanwezigheid die door onze conditionering minder vanzelfsprekend beschikbaar zijn.
Deze tradities zijn niet hetzelfde, maar samen hebben ze mij geholpen om het menselijk lichaam (bestaan) anders te gaan zien. Niet als een object dat we moeten beheersen, en ook niet als een onfeilbare bron van waarheid, maar als een levende intelligentie waarmee we voortdurend in relatie staan.
Misschien vraagt dat om een andere vorm van kennis. Niet minder wetenschappelijk en niet minder kritisch, maar ruimer in wat we bereid zijn waar te nemen. Een vorm van kennis waarin we zowel kunnen onderzoeken hoe een organisme biologisch functioneert als aandacht kunnen hebben voor de manier waarop dat organisme zichzelf ervaart, zich ontwikkelt en zich tot de wereld verhoudt.
Dat is voor mij de betekenis van belichaming.
En misschien ook van respect: erkennen dat er in ieder mens iets leeft dat niet volledig door onszelf is gemaakt en dat zich niet volledig door ons laat controleren.
Wanneer we die beweging leren herkennen, hoeft therapie niet langer uitsluitend te gaan over het herstellen van wat beschadigd is. Ze kan ook gaan over het opnieuw leren vertrouwen op wat nog leeft, over het ontwikkelen van meer vrijheid in hoe we ons tot de wereld verhouden en over het vinden van een vorm die werkelijk past bij wie we zijn.
Dat vraagt niet om een terugkeer naar een geïdealiseerde, oorspronkelijke staat. We kunnen onze geschiedenis niet uitwissen en hoeven dat ook niet. De vraag is eerder hoe onze geschiedenis onderdeel kan worden van een groter geheel, waarin ook ruimte ontstaat voor wat daarna nog mogelijk is.
Daar ligt voor mij de kracht van lichaamsgericht werken. Ons lichaam is niet alleen de plaats waar onze geschiedenis wordt opgeslagen. Het is ook de plaats van waaruit we verder kunnen leven.
En misschien is dat uiteindelijk de meest interessante vorm van intelligentie: niet het vermogen om alles te begrijpen of te beheersen, maar het vermogen van het levende om zich steeds opnieuw te verhouden tot wat er is, en van daaruit een volgende beweging te vinden.





Opmerkingen