Het leven is geen halleluja!
Het leven is geen halleluja, toch lijkt een groot deel van ons moderne leven daarop ingericht. We willen gelukkig zijn. We willen dat het goed met ons gaat. We willen ons ontwikkelen, bewust leven, gezond eten, bewegen, mediteren, betekenisvol werk doen en goede relaties hebben. We verzamelen manieren om ons leven zo in te richten dat we ons er zo prettig mogelijk in voelen.
Op zichzelf is daar niets mis mee. Natuurlijk willen we ons goed voelen. Natuurlijk zoeken we liefde, gezondheid, veiligheid, verbinding en plezier. Maar er ontstaat iets anders wanneer gelukkig zijn niet langer een verlangen is, maar een norm. Wanneer verdriet, angst, woede, eenzaamheid, schaamte, machteloosheid of verlies worden ervaren als tekenen dat er iets misgaat. Wanneer we onszelf niet alleen willen helpen als het leven moeilijk is, maar onszelf voortdurend willen terugbrengen naar een staat waarin het weer goed voelt.
Dan kan zelfs onze zoektocht naar welzijn een manier worden om niet helemaal aanwezig te zijn bij ons eigen leven.
We leiden onszelf af. Met werk, sporten, zorgen voor anderen, eindeloos nadenken, sociale contacten, eten, alcohol of andere vormen van verdoving. Maar ook met dingen die op het eerste gezicht veel gezonder lijken: persoonlijke ontwikkeling, spiritualiteit, meditatie, bewustzijn.
Dat laatste ligt gevoelig, want meditatie kan bijvoorbeeld juist een prachtige manier zijn om meer aanwezig te zijn. Onderzoek laat ook zien dat mindfulness- en meditatie-interventies bij mensen met trauma-gerelateerde klachten positieve effecten kunnen hebben. Tegelijkertijd is het idee dat meditatie daarom vanzelf leidt tot meer contact met alles wat in ons leeft te eenvoudig. Er is ook aangetoond dat voorzichtigheid geboden is waar meditatie je in contact brengt met een te grote lading angst en herbelevingen kan uitlokken. Dissociatieve en psychotische ervaringen kunnen op de loer liggen. Je komt dan wel met iets in contact, maar je raakt vervolgens ook meer uit verbinding met jezelf en de werkelijkheid van hier en nu.
Meditatie kan je brengen naar meer stilte, meer waarneming en meer ruimte. Maar dat betekent niet automatisch dat alles wat ooit buiten je bewustzijn is geraakt zich op dat moment aandient. Wat diep in ons is weggeraakt, hoeft niet op commando beschikbaar te worden als we stil gaan zitten.
En dat is niet per definitie een probleem.
Wat niet gevoeld kon worden
Wanneer iets in een mensenleven te veel is geweest, kan ons lichaam en ons zenuwstelsel een oplossing vinden die op dat moment noodzakelijk is. Niet alles hoeft gevoeld te worden. Niet alles hoeft bewust begrepen te worden. Soms is juist het niet-voelen de manier waarop iemand verder kan.
Er zijn situaties waarin een mens zich als het ware uit een ervaring terugtrekt. De intensiteit van wat er gebeurt, wordt dan niet volledig opgenomen in het gewone bewustzijn en de dagelijkse ervaring. Een deel kan op afstand raken, geïsoleerd worden of worden ingekapseld. Niet omdat iemand bewust besluit: dit ga ik niet voelen, maar omdat ons ‘systeem’ een manier vindt om met iets om te gaan dat op dat moment niet te dragen is.
In het werk van Merete Holm Brantbjerg wordt onder meer beschreven hoe immobilisatie en toestanden van lage activatie kunnen ontstaan als overlevingsreacties. Wat van buitenaf kan lijken op passiviteit, afwezigheid of een gebrek aan vitaliteit, kan vanuit het lichaam bezien een beschermende functie hebben gehad. De beweging is dan niet simpelweg gericht op terugkeer naar meer activiteit, maar op het opnieuw mogelijk maken van contact, beweging en regulatie.
Dat vind ik een wezenlijk uitgangspunt.
Wat wij later als een probleem kunnen ervaren, kan ooit een oplossing zijn geweest.
Daarmee verandert ook de manier waarop we kijken naar wat niet gevoeld wordt. Het is niet noodzakelijk dat iets wat zich schuilhoudt zo snel mogelijk moet worden opengebroken. Een mens heeft niet voor niets manieren ontwikkeld om bepaalde ervaringen op afstand te houden. Soms is juist die afstand nodig geweest om verder te kunnen leven.
Dat betekent ook dat iets wat niet voelbaar is, niet per se verdwenen is.
Het kan buiten het directe bewustzijn aanwezig zijn zonder voortdurend om aandacht te vragen. Het hoeft zich niet aan te dienen, omdat wij besloten hebben dat we nu klaar zijn om alles te voelen. Soms komt iets pas dichterbij wanneer er voldoende veiligheid, draagkracht en ontwikkeling is om ermee in contact te kunnen komen. Dat kan maanden of jaren later zijn.
En soms gebeurt dat juist op een moment waarop we helemaal niet op zoek waren naar wat er nog ergens lag opgeslagen.
Het probleem is niet het lijden
Daarmee komen we bij iets wat ik steeds belangrijker ben gaan vinden.
Het probleem is niet dat we lijden. Het probleem kan ontstaan wanneer we vinden dat we niet zouden moeten lijden.
Wanneer verdriet er niet mag zijn omdat we dankbaar willen zijn. Wanneer boosheid niet welkom is, omdat we bewust en geweldloos willen leven en communiceren. Wanneer eenzaamheid onmiddellijk moet worden opgelost met verbinding. Wanneer onzekerheid moet worden overwonnen. Wanneer kwetsbaarheid wel cognitief mag bestaan — natuurlijk, ik weet dat ik kwetsbaar ben — maar niet werkelijk doorvoeld mag worden.
Dan ontstaat er een subtiele vorm van verzet tegen onszelf.
We zeggen niet letterlijk nee tegen onszelf. We zeggen: ik wil liever de andere kant van mezelf zijn.
Liever licht dan donker. Liever liefde dan woede. Liever verbonden dan alleen. Liever krachtig dan machteloos. Liever rustig dan onrustig. Liever gelukkig dan verdrietig.
Zo ontstaat er een voorkeur voor bepaalde kleuren van het mens-zijn. We maken een selectie uit onszelf en noemen die selectie vervolgens ons welzijn.
Maar een mens is geen zorgvuldig samengesteld kleurenpalet waarin alleen de tinten mogen blijven die mooi bij elkaar passen.
We zijn ook dat wat schuurt. Dat wat tegenvalt. Dat wat niet lukt. Dat wat we liever niet voelen. Dat wat we onszelf liever niet zien doen. Dat wat we verloren hebben. Dat wat we missen. Dat wat we nog niet kunnen verdragen. Dat wat nog niet geïntegreerd is.
Een belichaamd leven vraagt daarom niet in de eerste plaats om méér positieve ervaringen. Het vraagt om een groter vermogen om werkelijk aanwezig te zijn bij wat er is.
Je voorkeur hebben
Misschien zit hier wel een van de meest hardnekkige misverstanden over persoonlijke ontwikkeling.
We denken dat ontwikkeling betekent dat we steeds meer worden, zoals we zouden willen zijn. Rustiger. Wijzer. Liefdevoller. Meer verbonden. Meer gereguleerd. Meer bewust.
Maar ontwikkeling kan ook betekenen dat we steeds minder hoeven af te wijzen van wat we werkelijk ervaren.
Dat is iets anders.
Dan gaat het niet meer alleen over de vraag: hoe wil ik zijn? Maar ook over: wat leeft er daadwerkelijk in mij?
Dat onderscheid is belangrijk. Want zodra we voortdurend bezig zijn met de persoon die we zouden willen zijn, kan de mens die er nu is uit beeld raken. Dan kan zelfs zelfacceptatie een subtiele vorm van zelfafwijzing worden. We accepteren onze kwetsbaarheid zolang we er maar volwassen mee omgaan. We accepteren onze boosheid zolang we die maar bewust kunnen voelen. We accepteren ons verdriet zolang we er niet in blijven hangen.
Maar wat gebeurt er als je tranen hebt en gewoon verdrietig bent? Als je boosheid niet onmiddellijk ergens toe hoeft te leiden? Als je niet meteen hoeft te weten wat iets betekent, waar het vandaan komt of hoe je ermee verder moet?
Dan ontstaat er ruimte voor iets wat groter is dan zelfverbetering.
Voor het bewonen van je eigen ervaring.
Ook afscheid hoort erbij
Daar hoort nog iets bij wat in veel hedendaagse ideeën over verbinding onderbelicht blijft: separatie.
Volwassen worden betekent niet alleen leren verbinden. Het betekent ook leren onderscheiden. Jezelf ervaren als iemand die niet hetzelfde is als de ander. Een eigen verlangen hebben. Een eigen grens ervaren. Een eigen richting ontwikkelen. Kunnen blijven houden van iemand terwijl je iets anders wilt.
Verbinding en autonomie zijn geen tegenpolen die uiteindelijk moeten worden opgelost. Ze staan voortdurend met elkaar in verhouding.
Juist daarom kan separatie pijn doen.
Wanneer een kind zich ontwikkelt, wordt het steeds meer een afzonderlijk mens. Wanneer een relatie eindigt, moet niet alleen de verbinding worden losgelaten, maar ook een toekomst die bij die verbinding hoorde. Wanneer een ouder sterft, wanneer een vriendschap verandert, wanneer een kind uit huis gaat, wanneer je een oude identiteit achter je laat: telkens is er iets dat niet meer hetzelfde kan blijven.
Dat is geen mislukking van verbinding.
Dat is onderdeel van volwassen worden.
Er zit lijden in het losmaken van wat met liefde verbonden was. Er zit lijden in het erkennen dat niet alles kan blijven zoals het was. En juist daar wordt zichtbaar dat een belichaamd leven niet hetzelfde is als een leven waarin we ons voortdurend goed voelen.
Niet boven het mens-zijn uitstijgen
Misschien is dat wel waarom het idee van een belichaamd leven voor mij iets anders betekent dan wat we tegenwoordig vaak onder bewust leven verstaan.
Ik geloof niet in een mens die steeds beter wordt. Ik geloof ook niet in een eindpunt waarop je zo bewust, geheeld, gereguleerd of verlicht bent dat het leven je niet meer raakt.
Wat zou dat eigenlijk zijn?
Een mens die niet meer diep geraakt wordt door verlies? Die geen woede meer kent? Die nooit meer bang is? Die alles kan observeren zonder erin meegetrokken te worden?
Dat klinkt voor mij eerder als een verkleining van het mens-zijn en een verlies van levenskracht dan als verlichting.
Een belichaamd leven is iets anders. Het betekent voor mij dat je steeds meer aanwezig kunt zijn in het geheel van je eigen ervaring. Dat je niet alleen weet wat je voelt, maar ook steeds beter dat wat je voelt kunt verdragen. Dat je je vreugde niet hoeft te wantrouwen en je verdriet niet hoeft te repareren. Dat je je kracht kunt bewonen zonder je kwetsbaarheid kwijt te raken. Dat je autonomie kunt ontwikkelen zonder verbinding op te geven.
Het betekent niet dat alles gevoeld moet worden, altijd en meteen. Het betekent dat er steeds minder delen van jezelf hoeven te worden verbannen om je leven te kunnen leven.
Dat is iets anders dan jezelf voortdurend verbeteren.
Het is eerder een uitbreiding van wat er in jou mag bestaan.
En juist daarin zit gezondheid. Niet als een permanent prettig gevoel, maar als levendigheid. Als bewegingsruimte. Als het vermogen om contact te maken en ook weer los te laten. Om te verlangen en teleurgesteld te raken. Om lief te hebben en te verliezen. Om grenzen te stellen en nabijheid toe te laten. Om plezier te hebben zonder het verdriet uit te sluiten dat ook bij het leven hoort.
Een mens die meer van zijn eigen werkelijkheid kan verdragen, krijgt ook meer ruimte voor de werkelijkheid van een ander.
Want hoe meer ik mijn eigen tegenstrijdigheden kan verdragen, hoe minder noodzakelijk het wordt om een ander te veroordelen om wat ik zelf niet wil kennen.
Misschien begint daar wel een andere vorm van liefde.
Niet bij het voortdurend proberen een beter mens te worden, maar bij het steeds vollediger bewonen van het mens-zijn.
“Whatever you resist you become. If you resist anger, you are always angry. If you resist sadness, you are always sad. If you resist suffering, you are always suffering. If you resist confusion, you are always confused. We think that we resist certain states because they are there, but actually they are there because we resist them.”
— Adyashanti





Opmerkingen