top of page
Michelle van der Zee Biodynamische Psychologie

Updates

Belichaamd Leven

1 dag geleden
11 minuten om te lezen

Over waarnemen, verbinding en werkelijk in je eigen leven aanwezig zijn

Ik vind het eigenlijk ergens raar, en eerlijk gezegd ook wel zorgelijk, dat we een arts zo gemakkelijk de schuld geven als die iets mist waar het om ons eigen lichaam gaat. Ik las laatst weer zo’n artikel in de krant.


Ik snap het wel. Bij mij is ooit in het ziekenhuis een verkeerde diagnose gesteld, waardoor ik meer dan tien jaar langer met een melanoom rondliep. Toen het bij die tweede controle alsnog werd ontdekt, viel ik statistisch gezien in de categorie van uitzaaiing naar de lymfeklieren en overlijden op korte termijn. Een pijnlijk confronterende boodschap, drie maanden nadat ik moeder was geworden van mijn lieve dochter, die ik daar, aan dat bureau van de arts, in mijn armen hield.

Het voelde even als een onwerkelijk andere wereld, een soort verdovende waas, terwijl er op de achtergrond iets dreunde wat niet te missen was. Na zeven maanden en vijf jaar intensieve controles bleek ik statistisch gezien een uitzondering.


Na die eerste diagnose had ik wel een intuïtie dat er iets niet klopte. Maar ik zocht de waarheid nog buiten mezelf, in plaats van werkelijk te vertrouwen op wat ik zelf waarnam. Zoals velen legde ik de verantwoordelijkheid voor mijn lichaam in handen van de arts. De arts zal het wel beter weten. Best vervreemdend ook.


Als ik terugkijk, raakt dat aan een veel oudere laag in mijn leven.


Eerst verbinding, dan een eigen lichaam

Toen ik geboren werd, werd mijn moeder verteld dat ik nog te kwetsbaar en iets te vroeg geboren was om mee naar huis te gaan. Of ze mij nog even in de couveuse wilde houden. Mijn moeder ging naar huis en ik bleef achter.


We weten inmiddels veel meer over het belang van vroege lichamelijke nabijheid tussen een baby en een beschikbare volwassene. Een kind ontwikkelt zich niet eerst als zelfstandig individu om daarna verbinding aan te gaan. Eerst is er afhankelijkheid, lichamelijke nabijheid en verbinding. Van daaruit kan zich geleidelijk een eigen lichaam, een eigen wil en uiteindelijk ook gezonde autonomie ontwikkelen.


Mijn begin was anders.

Zo’n vroege ervaring hoeft natuurlijk niet te bepalen hoe iemand zich later hecht. Mensen ontwikkelen zich voortdurend en ook hechting kan zich in de loop van een leven verdiepen en herstellen. Maar het is wel een laag in mijn geschiedenis die me achteraf helpt begrijpen waarom verbinding, aanwezigheid en de vraag hoe je werkelijk in je eigen lichaam kunt zijn, zo’n grote rol in mijn leven hebben gekregen.


Ik ben van nature open, beweeglijk en nieuwsgierig. In mijn denken kan ik gemakkelijk verschillende kanten van een verhaal zien. Ik kan me in veel situaties verplaatsen, bijna overal wel een lichtpuntje in vinden en enthousiast worden van allerlei mogelijkheden. Mijn aandacht kan alle kanten op bewegen. Ook letterlijk ben ik beweeglijk: mijn handen bewegen wanneer ik praat, mijn lichaam is flexibel en zelfs mijn handschrift lijkt nog iets van die beweging te bewaren; mijn letters dansen en staan zelden precies hetzelfde.


Dat zijn kwaliteiten die nog altijd bij mij horen. Alleen kan er onder spanning een té voor komen te staan. Te veel aanpassen. Te veel bewegen. Te veel openstaan voor wat er om me heen gebeurt. Te weinig onderscheid tussen wat van mij is en wat van de ander.


Wanneer er te veel beweging of prikkels in mijn leven kwamen, kon alles zich juist samentrekken. Alsof mijn systeem alle losse delen bij elkaar moest trekken om weer samenhang te vinden. Die contractie kon tijdelijk iets bijeenhouden, maar ook een deel van mijn levendigheid laten verdwijnen.


Mijn ontwikkeling is daarom niet een beweging geweest van afsluiten naar openen. Eerder van open zijn zonder voldoende onderscheid naar steeds meer open kunnen zijn mét onderscheid. Van veel beweging naar beweging mét samenhang. Van verspreiding naar verbinding. Van fragmentatie of contractie naar meer uit één stuk bestaan. Van energie die alle kanten op gaat naar levendigheid die ergens kan landen.


Dat vraagt niet om minder voelen, maar om meer bewonen.


Die ontwikkeling is ook wezenlijk geworden voor mijn werk. Ik was al therapeut en had een yogaschool, voordat ik moeder werd. Mijn verdere verdieping in trauma- en lichaamsgerichte therapie kwam dus niet pas na mijn ziekte. Wat er daarna gebeurde, heeft die weg niet veroorzaakt, maar wel verdiept en existentieel geladen.


Doordat ik nog steeds veel waarneem, verschillende perspectieven kan zien en meer en meer geoefend ben om belichaamd aanwezig te blijven, kan ik nu een groter verschil maken in een therapieproces. Een cliënt hoeft niet in een vooraf bedacht verhaal te passen en ik hoef niet alles te weten of probleem oplosser te worden. Er kan ruimte blijven voor wat zich werkelijk ontvouwt: in het lichaam, in de relatie, in de woorden, in de stilte en in de manier waarop iemand aanwezig is.

Mijn eigenheid is daarmee niet iets wat ik naast mijn werk meeneem. Ze is onderdeel van hoe ik ontmoet, waarneem en aanwezig ben.


De afspraak die ik met mezelf maakte

Op de dag waarop ik hoorde dat ik hoogstwaarschijnlijk zou sterven, terwijl ik mijn drie maanden oude dochter in mijn armen hield, kreeg iets waar ik al jaren in mijn werk en leven mee bezig was een existentiële scherpte. Ik wilde mijn leven niet alleen leven, maar het mij werkelijk toe-eigenen — mijn plek op aarde innemen, binnen mijn eigen huid leven, mezelf bewonen en mij diep verbinden met het aardse leven dat mij gegeven was, en in gezonde verbinding met mijn dochter.

 

Het was niet alleen een besluit om te overleven. Het was een besluit om hier te zijn. Werkelijk hier. Als mens, als vrouw, als moeder, met mijn hele lichaam in dit leven.


De zwangerschap en bevalling hadden me al iets laten ervaren van die gronding (door mijn letterlijk toegenomen lichaamsgewicht die 9 maanden, maar ook de fysieke oerkracht tijdens het geboorteprocs) en aanwezigheid. Mijn lichaam was niet langer zomaar een lichaam; het droeg een ander leven en bracht mijzelf ook opnieuw de wereld in. Ook dat voelde als een geboorte: niet alleen van een kind, maar van mijzelf als moeder en van een nog lichamelijker besef van mijn plek op aarde.


Die afspraak met mezelf is geen ideale staat van zijn geworden die ik vervolgens moest zien te bereiken. Het is eerder een richting geworden. Een dagelijkse beoefening van werkelijk aanwezig zijn bij het leven zoals het zich aandient.


En misschien is dat uiteindelijk waar belichaming voor mij over gaat.


Niet dat je lichaam je altijd vertelt wat waar is. Niet dat iedere sensatie evenveel betekenis heeft. En ook niet dat je, als je maar goed genoeg luistert, ziekte kunt voorkomen en jezelf kunt helen.

Wel dat je steeds meer aanwezig kunt zijn in het leven dat je daadwerkelijk leeft.


De huid als begin van een grotere vraag

Inmiddels heb ik nog zes keer huidkanker gehad, gelukkig geen melanoom meer. En er is eigenlijk geen moment meer geweest waarop ik niet wist wat er met mijn huid gebeurde. Ik voel mijn huid en neem waar wat daar gebeurt. Niet meer vanuit hyperalertheid en angst, maar vanuit een veel groter vermogen om mezelf en mijn eigen waarneming serieus te nemen. Ook plekjes die volgens artsen onschuldig waren, bleken achteraf toch huidkanker te zijn. Mijn stevigheid en assertiviteit zijn daarin helpend geweest. Iets wat ook gaat over belichaming. Door meer fysiek verbonden te zijn, ben ik ook meer voelbaar voor de ander geworden. Waar ik mijn jongere zelf nog als een roepende in de woestijn zie staan, of waar mijn woorden waren als lucht, een nauwelijks waarneembaar briesje, word ik inmiddels echt gehoord. Ook dat dank ik aan meer belichaamd zijn.


Ik vertel dit niet om mezelf op de borst te kloppen. Het is niets waar ik trots op ben. Ik vertel het, omdat deze ervaringen iets zeggen over de vraag die mijn werk steeds opnieuw heeft gestuurd: hoe ontwikkelen we het vermogen om meer belichaamd te leven?


En daar hoort voor mij een belangrijke nuance bij. Jezelf belichamen is geen voorwaarde om iedere ziekte te voorkomen of op tijd te ontdekken. Daar hebben we ook onze artsen voor nodig! En een arts is ook een mens die iets kan missen. Dat is pijnlijk en soms ernstig. Maar sommige ziekten zijn ook sluipend en laten zich niet op tijd voelen of herkennen.


Een lichamelijke sensatie is geen diagnose. Een intuïtieve ingeving is geen bewijs.

Maar het is wel informatie.


We worden over het algemeen niet van de ene op de andere dag ziek. We worden er wel vaak van de ene op de andere dag mee geconfronteerd. Tussen die twee momenten zit een heel leven.

Een leven waarin we via ons lichaam voortdurend waarnemen. Waarin we ons oriënteren, reageren, ons aanpassen, spanning opbouwen en weer loslaten. Waarin we voortdurend informatie uitwisselen met onszelf en met de wereld om ons heen, meestal zonder dat we daar bewust over nadenken.


We worden uitstekend getraind in denken

Ons zenuwstelsel is daar voortdurend bij betrokken. We scannen onze omgeving, nemen signalen uit ons lichaam waar en reageren daarop. Veel daarvan gebeurt voordat wij er woorden of gedachten aan hebben gegeven.


Maar hoeveel gelegenheid krijgen of nemen we eigenlijk om die kwaliteit van belichaamd waarnemen te ontwikkelen? Om onze natuurlijke behoeftes, ritmes, afkeren en gevoeligheden te kennen? Om te ontdekken wat er gebeurt wanneer we niet meteen interpreteren, verklaren of corrigeren, maar werkelijk aanwezig zijn in wat we waarnemen?


We worden over het algemeen uitstekend getraind in denken. Veel minder vanzelfsprekend in belichaamd waarnemen en aanwezig zijn.


In een leven waarin we van jongs af aan ook worden uitgenodigd en begeleid in kwaliteiten als intuïtie, waarnemingsvermogen, creativiteit, voorstellingsvermogen en sensitiviteit, maar ook in agency en authenticiteit, ontstaat ruimte voor meer manieren om onszelf en de wereld te leren kennen.


Ik denk daarbij ook aan de eerste zeven jaar van een kind. Binnen de pedagogiek van de Vrije School wordt veel waarde gehecht aan de ontwikkeling die in die eerste jaren vooral via het lichaam en het spel plaatsvindt. Een kind groeit letterlijk in zijn lichaam en dat vraagt energie. Via bewegen, spelen, nabootsen en ervaren worden niet alleen vaardigheden ontwikkeld, maar wordt het kind voortdurend rijker in zijn lichamelijke en zintuiglijke oriëntatie.


Dat is iets anders dan een kind al jong vooral uitnodigen om zijn hoofd te gebruiken. Leren lezen is natuurlijk een prachtige menselijke vaardigheid. Maar wanneer cognitieve ontwikkeling al heel vroeg centraal komt te staan, terwijl een kind nog volop bezig is zijn lichaam, motoriek en zintuigen te ontwikkelen, kun je je afvragen welke kwaliteiten daardoor meer geoefend worden en waar de energie naartoe gaat — en wat en waar minder. Als je fundament niet stevig is, bouw je er liever ook geen huis op. Voor alles is een juist moment, dat wil je liever niet versnellen.


Want wat je oefent, wordt toegankelijker. En energie die nodig is voor lichamelijke ontwikkeling versnipper je liever niet teveel.


Ook neurologisch gezien is dat interessant. Het brein en zenuwstelsel zijn geen statische systemen. Er ontstaan voortdurend verbindingen door ervaring, aandacht en herhaling. Wat we vaak doen, wordt gemakkelijker toegankelijk. Nieuwe ervaringen kunnen nieuwe manieren van reageren openen.


Vertragen om weer te kunnen waarnemen

Daarom is vertraging zo belangrijk. Niet omdat traagheid per definitie beter is, maar omdat je iets pas kunt waarnemen wanneer je er werkelijk tijd voor hebt.


Als ik op een elektrische fiets op hoge snelheid door de stad fiets, oriënteer ik me anders dan wanneer ik op mijn gewone fiets door de stad ga. Op mijn gewone fiets ben ik minder overprikkeld, beter georiënteerd, minder geïrriteerd naar andere weggebruikers en voel ik me meer aanwezig en verbonden.


Wanneer je voortdurend door moet, wordt je aandacht gemakkelijk opgeslokt door wat er van buitenaf van je gevraagd wordt. Wanneer je vertraagt, ontstaat er ruimte om jezelf en je omgeving opnieuw waar te nemen. Om te oriënteren. Om te voelen.


Dat betekent niet dat we allemaal in een hutje op de hei moeten gaan wonen.


We leven nu eenmaal in deze snelle wereld. En aanpassen is óók een menselijke kwaliteit. Overleven is niet iets wat we moeten onderschatten. Mijn leertherapeute zei ooit tegen mij: “Besef je wel dat dankzij het feit dat jouw voorouders het leven hebben overleefd — ziektes, oorlog, alles — jij nu leeft?” Die uitspraak ben ik nooit vergeten.


Maar hier en nu, als volwassene, kun je ook opnieuw nieuwsgierig worden naar je eigen lichaam en naar alles wat daarin waar te nemen is. Om naast aanpassing en overleving ook wat meer leven toe te laten. Om innerlijk wat uit te dijen.


Je hoeft daarvoor niet eerst ziek te zijn of problemen en klachten te ontwikkelen.


Je lichaam opnieuw leren kennen

Je kunt beginnen met je voeten. Vijf minuten je voetzolen voelen. Misschien ontdek je opeens hoe koud je voeten zijn. Misschien merk je dat je meer de bal van je voet of juist je hiel voelt. Dat er verschil is tussen links en rechts. Welke tenen zich wel of niet laten voelen.


En als je even nieuwsgierig bij je voeten aanwezig bent geweest, voel daarna dan eens na. Hoe zit je er nu bij?


Of doe dit met je zitbotten.


Ik zie het regelmatig gebeuren met cliënten. Iemand voelt voor het eerst bewust de botten waarop hij zit en zegt verbaasd: “Oh, ik dácht dat ze veel kleiner zouden zijn. Ze zijn best groot. Stevig ook. Rond van vorm en glad van weefsel.”


Het klinkt misschien als een klein moment. Maar het is niet niets.


Er wordt nieuwe informatie toegankelijk. Soms voor het eerst. Niet alleen weten waar je botten zitten, maar daadwerkelijk ervaren hoe ze voelen.


En soms gebeurt er daarna iets anders. Iemand heeft opeens het gevoel alsof hij een meter dieper in de stoel zit. Niet meer alleen georiënteerd vanuit het hoofd, maar vanuit een andere plek in het lichaam.


De blik wordt zachter. De adem rustiger. Het perspectief op het eigen verhaal verandert.

Het verhaal zelf is niet veranderd. De positie van waaruit het wordt ervaren wel.


En juist daarin zit voor mij de rijkdom van belichaamd leven.


Een landkaart, geen routebeschrijving

Wanneer we onszelf meer belichamen, hebben we meer informatie tot onze beschikking. Meer onderscheidingsvermogen. Meer mogelijkheden om onszelf en onze omgeving waar te nemen.

De kunst is alleen om die informatie niet meteen weer vast te pakken als waarheid.


Een lichamelijke sensatie is geen diagnose. Een intuïtieve ingeving is geen bewijs. Maar het is wel informatie.


Je kunt die informatie leren verstaan. Je kunt leren onderscheiden. Je kunt waarnemen zonder onmiddellijk te hoeven verklaren wat iets betekent.


En daarmee verandert er ook iets in je mogelijkheden. Wanneer je steeds opnieuw oefent in voelen, waarnemen, oriënteren en vervolgens reageren, oefen je niet alleen een vaardigheid. Je maakt als het ware nieuwe paden begaanbaar.


Wat eerst nauwelijks toegankelijk was, kan vertrouwder worden. Waar je vroeger automatisch reageerde, kan ruimte ontstaan tussen prikkel en reactie. Waar je jezelf eerder verliet, kun je jezelf misschien eerder opmerken.


Dat is voor mij geen abstract neurologisch proces. Ik zie het gebeuren in mensen. En ik ervaar het ook bij mezelf.


Misschien is dat uiteindelijk wat ik bedoel wanneer ik spreek over een landkaart.


Ons lichaam geeft ons geen kant-en-klare routebeschrijving door het leven. Het vertelt ons niet automatisch wat waar is of wat we moeten doen. Maar hoe beter we onszelf leren waarnemen, hoe gedetailleerder onze landkaart wordt.


We gaan meer onderscheiden. We merken eerder op waar we zijn. We herkennen bekende routes. En soms ontdekken we een pad dat we eerder niet konden zien.


Dat kan betekenen dat je, ruim voordat iets escaleert, merkt dat je iets anders nodig hebt. Dat je jezelf ergens ontrouw bent geworden. Dat je te lang over je eigen grens bent gegaan. Dat iets niet klopt. Of juist dat iets wél klopt.


Dat leidt niet automatisch tot gezondheid.


Belichaamd leven is geen recept om ziektevrij te blijven. Ziekte is bovendien niet simpelweg iemands eigen schuld of verantwoordelijkheid. Ons lichaam wordt gevormd door een veel groter geheel van onder meer familiegeschiedenis, trauma, genetische aanleg, maatschappelijke omstandigheden en cultuur.


Ook een mens die zeer goed afgestemd is op zichzelf kan ziek worden. En soms is een ziekte nu eenmaal sluipend en laat zij zich niet op tijd voelen of herkennen.


Maar je hebt er wel iets bij.

Een landkaart.

Een groter vermogen om jezelf waar te nemen, je te oriënteren en de draagkracht te ontwikkelen die nodig is om met moeilijke situaties in het leven om te gaan.


Levenskunst

Dat is voor mij de waarde van het beoefenen van een meer belichaamd leven.


Niet omdat we daarmee een perfect mens worden. Niet omdat we onszelf voortdurend moeten verbeteren. Maar omdat er zoveel meer van ons beschikbaar komt wanneer we niet alleen vanuit ons hoofd leven.


Misschien is dat ook wat ik bedoel wanneer ik mijn werk steeds vaker levenskunst noem.

Niet omdat ik het leven beheers. Juist niet.


Maar omdat zoveel van wat ik in mijn leven heb gezocht, onderzocht, verwerkt en geoefend, inmiddels niet meer alleen iets is wat ik weet. Het is iets wat ik steeds meer bevat, omvat en belichaam.


Mijn hoofd, mijn hart, mijn buik, mijn voeten, mijn rug, mijn huid. Mijn hele lijf.


Belichaamd leven is voor mij een rijk leven. Een leven waarin ik niet alleen denk over mijn leven, maar het ook daadwerkelijk bewoon.



Opmerkingen


bottom of page